De Rotterdamse speelplek onder de loep

De gemeente Rotterdam lanceerde in 2016 zij Kom op naar Buiten, een integrale visie op spelen, sporten, bewegen en ontmoeten. Met deze visie is hun kijk op de Rotterdamse speelplek definitief veranderd. Niet oude wipkip eruit, nieuwe wipkip erin, maar wel samen met de buurt en verschillende disciplines een passende inrichting ontwerpen voor de wijk. De speelplek heeft daarmee de potentie om de stad leefbaar te houden. De eerste speelplekken zijn inmiddels gerealiseerd. Samen met Frank Haans, functioneel beheerder Spelen bij de gemeente Rotterdam, bezocht ik twee plekken in Rotterdam om te ontdekken hoe zij dat aanpakken.

De speelplekken in de twee wijken die we bezoeken zijn totaal verschillend. Hoewel we ze erop uitgekozen hebben, zegt dit ook veel over de aanpak. De speelhoven in Terbregge zijn groen, hebben houten speeltoestellen en speelse beplanting, omgeven met lage heggen. De speelplek in Schiemond – hoewel ook in een hofje gelegen – is omheind met een stalen hek, dat ook dient als fietsenstalling. Het hekt sluit de speelplek af van het groen en van de rest van de openbare, én speelbare, ruimte. “Deze plek heeft nog zoveel potentie.” Franks handen jeuken om aan de slag te gaan.

Samen

Een (tijds)intensief participatietraject en een organisatieverandering is ervoor nodig, maar dat zou in Schiemond een totaal andere speelplek kunnen opleveren.

In het gesprek geeft Frank aan dat het proces om tot een herinrichting van de speelplek te komen in de nieuwe werkwijze in plaats van negen maanden twee jaar duurt. Dit roept zeker ook soms weerstand op binnen de gemeentelijke organisatie. Maar nu de eerste resultaten, zoals in Terbregge, zichtbaar worden, wordt duidelijk wat het ook oplevert.

“Er zijn hier zoveel mogelijkheden om de publieke ruimte interessanter te maken voor kinderen.” Hij wijst op de eenzame wipkip en het groene glooiende, ontoegankelijke veld. “De glooiing biedt al een uitdaging voor kinderen die leren lopen of steppen. Er is enkel een pad nodig zodat ze er kunnen komen.” Er zijn veel ontwikkelingen als het gaat om speeltoestellen. De ene speelplek wordt hypermodern uitgevoerd met interactieve spellen aangesloten op Wifi, terwijl de ander bestaat uit een paar boomstammen en een glooiende route door het groen. De inrichting wordt in de nieuwe aanpak van de gemeente Rotterdam vaker samen met de bewoners bedacht. Doel is om meer diversiteit aan speelplekken te realiseren met oog voor de behoeften van de bewoners.

In de Verkenning Buitenspelen 2020 wordt benoemd dat er binnen het beleid voor spelen en bewegen steeds meer aandacht is voor participatie en op het inspelen op de behoeften van verschillende leeftijdsgroepen.

Barrières

Zoals ik eerder in het artikel ‘Spelen als ruggengraat van de leefbare stad schreef is de bereikbaarheid van speelplekken doorslaggevend of ze succesvol zijn. Na analyse van de zachte kaart van PosadMaxwan valt in Rotterdam op dat veel wijken hard worden begrensd door fysieke barrières, zoals wegen met een toegestane snelheid van 50 km/h of hoger, trams en spoorwegen. Voor het buitenspelen in de buurt blijven kinderen dus zeer waarschijnlijk binnen deze grenzen. Maar wat die grenzen precies zijn, dat ligt ook vaak ingewikkelder. Ook het gevoel van onveiligheid vanuit de ouders speelt daarbij een belangrijke rol ook meer in mijn artikel over de beloopbaarheid van basisscholen.

Bekijk de kaart hier op volledig formaat.

Frank vertelt mij een anekdote. “In de wijk Rozenburg bleek uit gesprekken met de buurt dat een 30 km/h weg ook als barrière werd beschouwd. Deze rondweg kent gedeeltelijk een hogere snelheid, waardoor in de beleving van de buurtbewoners de straat onveilig is voor de kinderen.” De beleving van de toegankelijkheid en veiligheid van een speelplek zijn verschillend. In de Rotterdamse Norm buitenspeelruimte staat bijvoorbeeld dat kinderen tot en jaar of 12 vooral drie factoren ervaren als belemmering bij het buitenspelen: honden(poep), auto’s en grote jongens. Tramlijnen, water en verkeersaders worden als ‘natuurlijke’ barrières ervaren evenals enge onoverzichtelijke plekken.

Het is tijd voor een toegankelijk en groen-blauw speelnetwerk, waarbij het spelen fungeert als ruggengraat van de stad

De spelende stad

“Kinderen spelen overal”, stelt Frank. Dit gegeven helpt bij de vormgeving van de stad. Speelplekken kunnen dienen als speldenknopjes waarmee als een accupunctuur in het stedelijke weefsel de stad vergroend en verbeterd wordt. En tegelijkertijd, als we de stad bekijken vanuit het spelende kind, voldoet onze buitenruimte dan? Is het veilig, daagt het uit tot spelen, ontmoeten en bewegen? Verkade en Brömmelstroet plaatsten in hun boek Het recht van de snelste (2020) een tekenende anekdote over een nieuwbouwwijk in Rotterdam Noord: “Ons buurmeisje en onze zoontjes spelen daar best graag en kunnen dat ook goed alleen. Maar ze kunnen er niet alleen naartoe.” Het is tijd voor een toegankelijk en groen-blauw speelnetwerk, waarbij het spelen fungeert als ruggengraat van de stad. Ik stel voor het kind in ons naar boven te halen. Laten we de puntjes verbinden op de zachte kaart van PosadMaxwan.