10   +   3   =  

Om kwart over twaalf neem ik plaats aan de picknicktafel die Christian gefotografeerd heeft, op een kruispunt in Delft. Om precies te zijn bij de Abtwoudsebrug. In exact een uur ben ik met de auto van huis naar Delft gereden. Onderweg hoorde ik een opmerkelijke verkeersmelding: er staat momenteel slechts één file in Nederland. Ik kon inderdaad overal doorrijden, maar zag onderweg wel steeds borden die mij aanspoorden om te keren: “blijf thuis! Samen krijgen we Corona eronder”.

Ik parkeerde op een parkeerplaats bij een meubelboulevard, die ik op Google Maps gezien had. Ik had verwacht dat het daar uitgestorven zou zijn, maar de parkeerplaatjes zijn voor bijna de helft bezet, alle winkels zijn open en hebben aardig wat klanten. Ook op straat zijn overal fietsers en wandelaars, die weliswaar iets meer afstand houden dan anders, maar er toch wel zijn.

Aan de picknicktafel eet ik een meegebrachte boterham en maak ondertussen de eerste aantekeningen in een notitieboekje. Als geheugensteun maak ik met mijn telefoon ook regelmatig foto’s. Een kaart heb ik ook wel bij me, en die heb ik, samen met bv. Google Maps van tevoren bestudeerd, maar tijdens de verkenningen gebruik ik de kaart nooit: ‘de kaart is niet het gebied’. Daarom ook ben ik hier naartoe gekomen, hoewel ik eerst nog dacht aan een ‘virtuele verkenning’. Na nog geen kwartier hier gezeten te hebben, ben ik er al van overtuigd dat een virtuele verkenning inderdaad onzin is: verkennen doe je te voet, met pen en papier in de aanslag.

C’est la vie

Als ik een boterham op heb en klaar ben met het maken van notities, zie ik dat er verderop langs het kanaal nog aantrekkelijkere bankjes staan. Daar eet ik nog een volgende boterham. Er staan drie bankjes, waar steeds nooit meer dan één persoon zit, maar die wel steeds bezet zijn. Het bankje naast mij is maar heel even vrij, dan gaat er een man zitten die mij vriendelijk groet en smakelijk eten wenst.

Terwijl ik daar zit, zwemt een fuut met kleintjes voorbij en komt even later een plezierbootje langs. Aan de overkant van het kanaal bevinden zich achtertuinen waar nogal wat mensen in zitten te genieten van het mooie weer. Achter mij komt soms een auto voorbij en regelmatig fietsers en wandelaars. Niet dat het druk is, alles gaat hier zijn kalme gangetjes. Het plezierbootje komt dichterbij en legt iets verderop aan, ik zie dat het C’est la vie heet. De opvarenden zien op de kade een bekende staan en beginnen een praatje, waarvan ik slechts een flard opvang: “Ja hoor, we hebben een wijntje mee… Ach, het komt allemaal wel goed joh…”.

Rechts, langs de Schie Delft uitkijkend, zie ik wat bedrijvigheid en industrie. Aan de andere kant zie ik nog net iets van het pittoreske maar ook toeristische centrum. Vóór mij zie ik, als ik over de lage huizen met tuintjes kijk, de hoogbouw van de TU. Je zou deze plek een soort niemandsland, een overgangszone kunnen noemen. Erg fraai is het in elk geval niet, het is nogal schraal en rommelig, en vooral ‘dertien in een dozijn’, erg gewoontjes. Het is kortom verre van oogstrelend, maar desondanks (of misschien juist daarom?) bevalt het me eigenlijk prima. Ik zit hier, als voorbijganger, goed.

Banale plek

Het kruispunt en zijn omgeving vormen een nogal banale plek, het is nauwelijks een bestemming. Je gaat er niet speciaal naartoe. Maar als je er toevallig toch langskomt, kun je prima even aan de picknicktafel of op een van de bankjes plaatsnemen. Je bent er als voorbijgangers onder elkaar. Je valt hier niet snel uit de toon, omdat er niet echt een toon is.

Probleem met gebieden zoals bedrijventerrein Spaanse polder, waar ik vorige keer was, is dat het daar zo uitgesproken is en slechts voor een enkeling, een werknemer of klant, een bestemming is. Voor de rest heeft eigenlijk niemand er iets te zoeken. Hier kan ik rustig, onopvallend op een bankje zitten kijken naar andere voorbijgangers. En zien hoe alles, ondanks de coronacrisis, toch nog zijn gewone gangetje gaat, hoe mensen er toch nog wat van weten te maken.

Hier op dit kruispunt kun je goed zien dat het een publieke ruimte meer moet zijn dan een verblijfsruimte. Anders wordt het al snel teveel van het goede. Ook de verkeerskundigen moeten een woordje meespreken bij het ontwerpen en inrichten: het moet niet alleen verblijfsruimte zijn, maar evenzeer verkeersruimte. Anders ligt het er te dik bovenop, terwijl het er juist om gaat dat de vriendelijke sfeer ter loops ontstaat. Zo kan een aangename ruimte ontstaan om te verkeren.

Verkeren

Mooi woord, dat ‘verkeren’… De verleiding om het in het woordenboek op te zoeken was te groot, hoewel ik daar zeer huiverig voor ben. Simpel gezegd lijkt het woordenboek namelijk te suggereren dat betekenis iets is dat je kunt opzoeken en vinden, in plaats van dat je het geeft. Een woordenboek laat echter slechts zien hoe woorden gebruikt worden of werden. Hetzelfde geldt voor de openbare ruimte: het zijn de gebruikers die er betekenis aan geven.

Hoe dat ook zij, volgens mijn etymologisch woordenboek komt “verkeren” van “keren, draaien, omdraaien”:

“Uit de betekenis “draaien, omkeren” kon de betekenis “heen en weer gaan” ontstaan, daaruit “komen en gaan voor handel of andere bezigheden” en dus ook “ergens herhaaldelijk vertoeven” en algemener “zich bevinden”; bij de betekenis “vertoeven voor handel enz.” ontstond ook de betekenis “(daarbij) omgaan met”.”

Al die betekenissen, zowel het heen en weer gaan, het komen en gaan, als het verblijven, zich bevinden en omgaan met, zijn op deze plek terug te vinden.

Coronafoto

Deze foto zal over tien of meer jaren makkelijk te zijn dateren: “Oh ja, dat was tijdens de coronacrisis van 2020.” De foto is een echt een coronafoto, hij laat de anderhalvemetersamenleving zien. Het witgeschilderde huis is namelijk een studentenhuis, zo vertelde fotograaf Christian van der Kooy. Die rare ladders aan de gevel langs de schoorsteen zijn typisch zo’n lapmiddel van een huisjesmelker: het zijn nooduitgangen voor de kamerbewoners op de bovenverdieping. Het leven in studentenhuizen is in deze coronatijden extra lastig omdat je weliswaar huisgenoten bent, maar niet echt een huishouding vormt en je dus ook in huis anderhalve meter afstand moet houden. In de krant las ik al over de eerste boetes die in studentenhuizen zijn uitgedeeld. Bezoek ontvangen in een studentenhuis is dus vrijwel onmogelijk. Tenzij je een kamer op de begane grond hebt met een raam dat open kan en dat uitkijkt op een brede stoep met een picknicktafel (is die misschien speciaal voor rokers in het studentenhuis daar neergezet, vraag ik me opeens af).

Goed beschouwd is de foto zowel verontrustend als geruststellend. Het is immers verontrustend te merken hoe kwetsbaar een samenleving is: één onzichtbaar klein virus, dat van vleermuis of ander dier, op een markt in China op de mens is overgesprongen, zaait binnen mum van tijd overal ter wereld dood en verderf. Of gooit in elk geval overal de gewone manier van leven helemaal overhoop. Opeens is afstand houden, social distancing, het nieuwe normaal.

Toch kun je op de foto ook mooi zien hoe het bloed kruipt waar het niet gaan kan. En is het eigenlijk geruststellend te bedenken dat vóór deze crisis weliswaar veel geklaagd werd over individualisering en een gebrek aan sociale cohesie, maar dat we nu pas zien hoeveel binding er toen eigenlijk toch nog was. Achteraf zien we pas dat er binding genoeg was.

Binding genoeg, zo luidde het stadsessay dat Annemarie Kok in 2017 publiceerde (bij uitgeverij Trancity, op hun website gratis te downloaden). Kok bestrijdt in dat essay het hardnekkige idee dat de Nederlandse samenleving gebukt gaat onder te veel “ik” en te weinig “wij”, en krijgt nu achteraf mijns inziens volkomen gelijk. Nu we afstand moeten houden merken we pas hoe nabij we elkaar stonden en hoe dichtbij elkaar we samenleefden. Het essay is geschreven in de vorm van (fictieve) brief aan de Jane Jacobs, die immers schreef over het sociale verkeer op de stoep voor haar woning in New York. Jacobs omschreef dat mooi als een “ballet”. Op deze foto kun je zien dat er nog steeds, ondanks de anderhalve meter, heel voorzichtig maar toch wel degelijke “gedanst” wordt op de stoepen.


Dit is het derde dubbelverhaal uit een serie waarvoor fotografen Christian van der Kooy en Rubén Dario Kleimeer en filosoof Pieter Hoexum een jaar lang op ontdekkingstocht zijn in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). De druk op de ruimte is hoog, waardoor de ruimte snel verandert. Steden kloeken aan elkaar. Waar houdt Rotterdam op en begint Delft? En hoe gaat Delft via Rijswijk over in Den Haag? Is er in het tussengebied nog sprake van het zogenoemde ‘vredige platteland’? Zijn er nog onbestemde plekken waar ongeplande activiteiten kunnen plaatsvinden?

Christian en Rubén maken in hun ontdekkingstocht gebruik van de aloude waterweg Delftse Schie, Zuidvliet, Rijn-Schiekanaal, die Rotterdam en Den Haag met elkaar verbindt, als de rode draad van hun fotografie. Ze vertrekken daarbij vanuit hun eigen woonplaats; Rubén uit Rotterdam en Christian uit Den Haag, en werken naar elkaar toe. Parallel aan deze fotoserie bezoekt filosoof Pieter Hoexum als buitenstaander het gebied en deelt met ons zijn bevindingen.

Bekijk hieronder de kaart van hun ontdekkingstocht door de MRDH en de eerste twee dubbelverhalen:

‘Tang en varken’ van Pieter Hoexum en Christian van der Kooy

‘Twee soorten bouwen’ van Pieter Hoexum en Rubén Dario Kleimeer

‘Het kan (nog steeds) verkeren’ van Pieter Hoexum en Christian van der Kooy