Start met de helft van je droomhuis

Het kabinet heeft opgeroepen tot de bouw van 1 miljoen woningen voor 2030. Daar valt veel op af te dingen, maar ik vraag me vooral af: hoe zien die woningen eruit? En voor wie zijn ze? Net zoals Prof. Dick van Gameren geloof ik dat we niet de mist in moeten gaan met het bouwen van eindeloze rijen met dezelfde huizen. Enerzijds hebben we te maken met een enorme opgave, anderzijds is maatwerk nodig. Hoe rijmt dit met elkaar? Dit is niet alleen een opgave voor de bouw, maar ook voor de gebruikers. Ik stel voor: ga voor het experiment en bouw incrementeel.

Ik moet toegeven: het woord ‘incrementeel’ kende ik ook nog niet. Een van de eerste hits op Google geeft de volgende beschrijving: stapsgewijze doorvoering van veranderingen zonder het einddoel expliciet te noemen. Vooral dat laatste is voor mij van belang. Bij incrementele woningbouw geeft de architect een deel van het ontwerp uit handen. En dit keer niet aan een aannemer, projectontwikkelaar of investeerder, maar aan de eigenaar van de woning. Dit is geen nieuw fenomeen.

De helft van een goed huis

Een mooi voorbeeld van incrementele architectuur is het project Quinta Monroy, architect Alejandro Aravena. Met zijn ‘doe-tank’ ELEMENTAL won hij in 2016 zelfs met het project de Pritzker Prijs voor architectuur. In plaats van een kleine, benauwende woning bouwde hij ‘de helft van een goed huis’. Het was niet af, maar wel bewoonbaar. Deze woningen produceerde hij seriematig.  Bij oplevering kregen de gezinnen een casco: een thuis die ze zelf nog mochten inkleuren. Ze waren geplaatst met een opening ertussen, zodat bewoners na een paar jaar een uitbouw konden plaatsen.

Iedere woning van Quinta Monroy is inmiddels uitgebreid, opgetopt of overgeverfd en versierd met balkonnen, sierlijke ramen en schilderingen. De zelfgebouwde huizen van hout en golfplaten zijn niet Pritzker-Prijs-waardig. Het is dan ook niet het gerealiseerde ontwerp waarmee Alejandro Aravena in de architectuurboeken staat, maar juist het uit handen geven ervan.

Ook in Nederland komt incrementele woningbouw voor, denk maar aan de Diagoonwoningen van Herman Hertzberger. Deze acht prototypes zijn ontworpen als halfproduct, ‘’dat door ieder naar eigen behoefte kan worden voltooid’’.  De woningen bestaan uit twee kernen, die onderling verbonden zijn met halve verdieping verspringende vloeren. Waar de bewoners wilden slapen, eten, zitten en studeren konden ze zelf kiezen.

Toepassing op onze woningmarkt

Als ik kijk naar de huidige Nederlandse woningmarkt, dan kan incrementele architectuur vooral voor starters een uitkomst bieden. Een jong stel wil bijvoorbeeld de woningmarkt op. Ze hebben allebei een baan, maar ook een grote studieschuld. Ze hebben hierdoor een gering budget waarop hun wensen zijn aangepast. Toch kunnen ze geen woning vinden. De woningen die ze tegenkomen zijn vaak te duur, te groot, of studio’s die niet bedoeld zijn voor een volgende levensfase.

Een mooie oplossing zou zijn wanneer zij een kleine woning kunnen aanschaffen, die nog niet af is. Na een paar jaar sparen, stapsgewijs renoveren en uitbouwen, laten zij het huis meegroeien met hun eigen financiële groei. Zodra er kinderen komen, hoeven zij zich niet opnieuw vierkante ogen te staren op Funda.nl, want er zijn nog genoeg opties om hun eigen woning uit te breiden. Zo kunnen ze weer in gesprek gaan met de architect van hun woning en de aanbouw samen ontwerpen.

‘’Een kleine 100 jaar geleden waren sociale woningbouwprojecten levende laboratoria om ‘goed wonen’ te testen’’, schreef Charlotte Thomas recent op A.ZINE. De huidige problemen in de woningmarkt, zoals de grote woningopgave en hoge opstap voor starters, lijken me de aanleiding om het experiment weer aan te gaan. Laat de incrementele architectuur daar ook onderdeel van zijn.