Liever een deur dan een loftervaring

“Ben jij Cato?” vraagt Melle (8 jaar) mijn schoonvader. Hij doet een wilde gok. Hij heeft nog drie kaartjes omhoog staan, zijn opa slechts één. Ze spelen samen het bordspel ‘Wie is het?’. Ik zit een verdieping hoger, aan de andere kant van het huis, maar ik kan elk woord dat ze wisselen verstaan. Niven (5 jaar), die ik net naar bed heb gebracht, ook. Dit komt omdat tijdens een verbouwing de gang is verdwenen.

De gang is door de vorige bewoners opgeofferd voor een loftervaring: de begane grond van ons huis bestaat uit één grote ruimte. De woonkamer voelt hierdoor twee keer zo groot. Overal kijken we op het mooie glas-en-lood van het tochtportaal. Het toilet is direct bereikbaar vanuit de keuken, woon- en eetkamer, handig voor een kind dat net zindelijk is, en de trap ‘manifesteert zich’ in de ruimte – niet te missen dus.

“Meerdere vertrekken zijn gecombineerd tot een vloeiende open leefruimte”, beschreef laatst een architect een verbouwing van een ander rijtjeshuis tot ‘loft’. Vloeiende ruimte is hip, al jaren. Makelaarsbrochures staan vol met loftwoningen. En mochten ze niet zo zijn ontworpen, dan verdwijnen muren, deuren en drempels wel tijdens een ingrijpende verbouwing onder een strakke giet- of parketvloer voor lange zicht- en looplijnen, soms onderbroken door een glazen deur met een zwart stalen frame.

Vloeiende ruimte is hip, al jaren. Makelaarsbrochures staan vol met loftwoningen.

Maar sinds ik samenwoon met een man en drie kinderen en met hen dit voorjaar een intelligente lockdown heb meegemaakt, weet ik beter. In ons huis vinden zoveel verschillende activiteiten tegelijkertijd plaats, dat ze scheiden essentieel is voor mijn gemoedsrust, en dus ook die van hen. De deur als flexibele grens die naar behoeven activiteiten kan buiten- of insluiten. In deze tijden onmisbaar als mijn man op zolder een ‘call’ heeft en ik aan de keukentafel deze column tik. Maar ook een kind niet kan slapen vanwege gezelligheid een verdieping lager.

Terwijl ik beneden koffie en thee zet, hangt Nivens hoofd in het trapgat. Of hij ook met het spelletje mag meedoen. Zijn ogen knijpen samen tegen het felle licht. Eén potje dan. Als hij naast zijn opa zit, zie ik vanuit de keuken dat hij Julius is. Een kale man met grote wenkbrauwen en een bril.  

Gelukkig zijn de eerste en tweede verdieping nog steeds ‘verhokt’ en hebben alle kamers deuren.

Inmiddels zitten we middenin de tweede coronagolf en zijn we dus weer veel thuis. Maar zonder mooi voorjaarsweer. Ik vraag me af: hoeveel zou het kosten om de gang en de kamer en suite in ere herstellen? Gelukkig zijn de eerste en tweede verdieping nog steeds ‘verhokt’ en hebben alle kamers deuren. Na de uitbraak van het COVID-19 virus weet ik een ding zeker: liever een deur dan een loftervaring.