3   +   3   =  

“Gebouwen moeten bloedmooi zijn, minder meetbaar.” Liesbeth van der Pol, architect en eigenaar van Dok architecten, houdt een vurig pleidooi voor karaktervolle architectuur die verder gaat dan het programma van eisen. Architectuur met zeggingskracht. “Alleen gebouwen die je hart doen kloppen en je bloed laten stromen, blijven.” Een gesprek over het huidige gebrek aan experimenteerdrift, dat we de twijfel van vrouwelijke architecten moeten koesteren en dat elk gebouw een scheve neus nodig heeft.

Wat is volgens jou de opgave waar architecten nu aan moeten werken?

“Architecten moeten mooie gebouwen maken. Gebouwen met karakter die zich goed verhouden tot de mens. De gemiddelde doos met woningen die nu wordt neergezet is beschamend. Iedereen heeft de mond vol van duurzaamheid, maar schoonheid en karakter zijn totaal van de agenda geschrapt. We zitten in een hele voorzichtige tendens met allemaal nette architectuur. Er komt geen vreemde taal aan te pas. Het is net alsof een gebouw niet meer mooi mag zijn, alsof we ons daarvoor moeten schamen. Ik mis experimenteerdrift, bij architecten, maar ook bij opdrachtgevers en gemeentes.”

“De gemiddelde doos met woningen die nu wordt neergezet is beschamend”

Wordt de stad geen kakofonie met alleen maar karaktervolle gebouwen?

“Nee. De stad staat vol met karaktervolle gebouwen. Vergelijk het met wanneer je naar een festival gaat, dan staat het hele veld vol met karaktervolle personen. Die meten zich aan elkaar, maar verdragen elkaar ook. Het mag natuurlijk niet zo zijn dat een gebouw ten koste van de rest staat te stralen. Soms is het goed dat een gebouw vanwege de context onderdeel is van het geheel, maar nog steeds moet er iets te ontdekken zijn. Zo zijn de grachtenpanden in Amsterdam door je oogharen allemaal hetzelfde, maar zodra je dichterbij komt dan zie je dat ze schouder aan schouder vechten om aandacht. Elk pand heeft een eigen karakter. Het is de taak van architecten om de saaiste opdracht nog beleefbaar te maken, het simpelste gebouwtje door zijn aanwezigheid toch importantie te geven.”

Wanneer heeft een gebouw karakter?

“Als mensen erdoor geroerd raken. Dat ze het heel mooi vinden, of juist niet. Want een karaktervol gebouw hoeft niet beeldschoon te zijn. De karaktervolste mensen hebben iets wat juist niet mooi is, zoals een scheve neus.”

Hoe ontwerp je een scheve neus?

“Dat begint al op de tekentafel. Door op zoek te gaan naar waar het schuurt. Naar iets wat niet helemaal past. Zo laad ik het ontwerp met iets wat mensen later zullen herkennen. Dit doe ik al schetsend samen met mijn medewerkers en door het maken van aquarellen. Mijn aquarellen bestaan vaak uit vier lagen, waardoor ik bij elke laag het gebouw beter leer kennen. Die creatieve, geconcentreerde aandacht die tijdens het aquarelleren nodig is, is belangrijk voor een karaktervol ontwerp.”

“Vanuit onzekerheid denk je dat niemand op een scheve neus zit te wachten, maar het tegendeel is waar”

En hoe verkoop je die scheve neus vervolgens?

“Vanuit onzekerheid denk je dat niemand op een scheve neus zit te wachten, maar het tegendeel is waar. Het werk van een architect wordt dikwijls ingevuld door een programma van eisen. Als je alleen daarop vaart, dan verlies je uit het oog wat je taak is: een gebouw dat zichzelf kan bedruipen door zich goed te verhouden tot de mens. Dat wanneer de mens het gebouw verlaat, het zich weet te verhouden tot de tijd en uiteindelijk zelfs een mooie ruïne wordt. Je denkt misschien dat je met zo’n verhaal wordt gezien als een vage kunstenaar en dat niemand daarop zit te wachten, maar mensen begrijpen het, ook opdrachtgevers. Ik sta vaak voor een grote groep om uit te leggen wat het gebouw in zich heeft. Ik ben een kwetsbaar persoon, gevoelig voor stemmingen en emoties. Het vergt moed om dit te laten zien, maar ik merk dat zelfs de hardste figuren geen weerstand kunnen bieden aan een kwetsbare opstelling als het om een mooi gebouw gaat. In de bouw is men zelfs dikwijls onder de indruk van iemand die emoties durft te raken.”

Afbeelding: Aquarel van The George – Liesbeth van der Pol

Evenveel vrouwen als mannen studeren momenteel architectuur. Toch is maar 22% van de 10.000 Nederlandse architecten vrouw. En slechts 3% van de honderd meest toonaangevende architectenbureaus ter wereld wordt geleid door een vrouw. Heb je een idee waardoor dit komt?

“Ja, dat heb ik wel, al vind ik het vervelend om het uit te spreken: vrouwen hebben dikwijls een enorm gebrek aan zelfvertrouwen. Waar mannen dit pertinent inzetten om aan de bak te komen, zie je bij vrouwen de tocht naar achteren. Dit is irritant en onterecht. Want vrouwen kunnen het vak gewoon goed uitoefenen en moeten de ruimte krijgen om het te doen. Ik vind het jammer dat binnen veel architectenbureaus hun onzekerheid niet wordt gekoesterd. Terwijl twijfelen niet erg is. Daar is juist behoefte aan. Op ons bureau stimuleren we twijfel. We leggen er nog een velletje overheen, kijken voorbij de eerste ingeving en zoeken dieper. Daar wordt het gebouw uiteindelijk alleen maar beter van.”

“Waar mannen dit pertinent inzetten om aan de bak te komen, zie je bij vrouwen de tocht naar achteren. Dit is irritant en onterecht”

Heb je een advies voor jonge vrouwelijke architecten?

“Hou toch eens op met tegen jezelf te zeggen dat je het niet kunt. Laat je niet tegenhouden door je onzekerheid. Toen ik van de TU Delft afkwam vond ik bijvoorbeeld detaillering eng en ingewikkeld. Ik ben daarom eerst op de bouw gaan werken. De ervaring leert dat wanneer je eenmaal een gebouw hebt neergezet, je onzekerheid verdwijnt. Ga voor dat eerste gebouw!”

Inmiddels heb jij al heel veel gebouwd van woongebouwen tot scholen en van musea tot kantoren. Helaas gaat niet altijd alles goed, zoals bij de plannen voor de renovatie van het Binnenhof. Hoe ga je daarmee om?

“Als architect heb je ook veel zitvlees nodig om een project te realiseren. Je bent een toekomstwerker en moet doorlopend over vage hobbels heen komen. En soms gaat dat niet goed. Dan word je belazerd of gaat een project niet door. Ik vind het heel jammer hoe het met de opdracht voor het Binnenhof is afgelopen. Al is het wel beter voor mijn zielenrust. Binnen het bureau hebben we in dergelijke gevallen de neiging om dan te zeggen: daar zijn we goed vanaf gekomen. Dit heeft alles te maken met de spirit die nodig is om het werk vol te houden.”

In eerdere interviews las ik dat je weleens over je eigen grenzen heen gaat. Soms met heftige depressies als gevolg, bijvoorbeeld tijdens je studie, maar ook tijdens je Rijksbouwmeesterschap.

“Leef avontuurlijk. Dan loop je soms tegen je grenzen aan, maar dan maak je de mooiste dingen. Ik heb net een ontwerp gemaakt voor een woongebouw op de Amsterdamse Zuidas (The George, red.), een opwaaiende zomerjurk. Daar had ik zo’n zin in, en dus tekende ik hem. Natuurlijk valt het samen met alle duurzaamheidsambities, maar ik vond het beeld vooral mooi. Nu beleven veel mensen er plezier aan om het te maken, ik voorop, al vraagt dat wel veel van me, want het loopt over de grens van het haalbare. Die grens blijf ik altijd opzoeken, wat daar ontstaat is het interessantst. Pas dan maakt mijn hart een sprongetje. Dit gaat verder dan vakmanschap. Als architect kun je ook gemakzuchtig worden en nog steeds een gebouw maken dat goed in elkaar zit. Maar ik heb van Herman Zeinstra (Liesbeths levenspartner waarmee ze in 1995 Atelier Zeinstra van der Pol oprichtte, red.) geleerd dat voor een goed gebouw, behalve vakmanschap, ook inventiviteit nodig is. En dat bereik je alleen door grenzen te verleggen en een vrije geest.”

“Leef avontuurlijk. Dan loop je soms tegen je grenzen aan, maar dan maak je de mooiste dingen”

Afbeelding: Lijntekening van The George – Liesbeth van der Pol

Hoe was het om samen met je levenspartner Herman een bureau te leiden? Hoe verdeelden jullie de rollen?

“Ik heb het altijd heel leuk gevonden. Onze werkdagen waren eerlijk verdeeld, zodat we samen de zorg voor onze zoon droegen. En binnen het bureau was het heel duidelijk: wij deden geen projecten samen. We hebben altijd onze eigen projecten gedraaid en binnengehaald. Hierdoor hadden we op het werk geen enkele afhankelijkheidsrelatie en thuis hadden we nog genoeg te bespreken. Wel zorgden we samen voor het team. Deze werkverdeling zou ik iedereen aanraden die samen met een levenspartner een bureau begint. Nu leid ik Dok architecten samen met Patrick Cannon. Wij doen wel alles samen, ook sparren over projecten. Maar dat wordt nooit zo persoonlijk als dat ik ook met hem zou samenleven.”

“Het mooiste gebouw ligt altijd op de tekentafel”

Wat zijn je plannen voor de toekomst?

“Natuurlijk wil ik nog een paar mooie gebouwen maken. Het mooiste gebouw ligt altijd op de tekentafel. Daarnaast wil ik jonge architecten het vak leren. Ik wil ze graag meegeven dat ze op hun manier het vak kunnen vormgeven.” 

Stop je ooit?

“Ja, uiteindelijk wel. Ik heb Herman als voorbeeld en ik zie dat het fijn is om je op een gegeven moment terug te trekken. Dat is de natuurlijk weg.”