6   +   6   =  

“Als architect kun je kiezen wie je opdrachtgevers zijn en aan welke opgaves je werkt.” Anne Dessing (1985), oprichter van Studio Anne Dessing, wil niet moralistisch klinken, maar wijst ondertussen wel alle architecten op hun verantwoordelijkheid. Ze is net terug uit Chicago waar ze als Fellow aan de universiteit onderzoek deed. Terwijl ze zich verbaast over hoe lang we op de serveerster moeten wachten, praten we over haar twijfel of het architectenvak wel bij haar past, dat ze meer geld wil verdienen en dat vrouwen zich niet moeten vermannen. 

Je bent afgestudeerd als architect aan de Academie van Bouwkunst Amsterdam, maar jouw werk beweegt zich op het grensvlak tussen kunst en architectuur. Wil je dit altijd blijven doen of zou je voor een van de twee kunnen kiezen?

“Ik heb wel het gevoel dat ik een keer moet kiezen, dat ik voor een van de twee vol moet gaan. Dan kan ik daar een helder kader voor bepalen. Maar vooralsnog doe ik het allebei graag, al worstel ermee of ik wel een echte architect ben.”

“Ik observeer en onderzoek liever dan dat ik iets maak. In die zin was ik liever een goede schrijver geweest”

Hoezo? De buitenwereld waardeert je wel als architect. Je hebt verschillende architectuurprijzen binnen gesleept. Vorig jaar nog de ARC19 young talent award.

“Ik observeer en onderzoek liever dan dat ik iets maak. In die zin was ik liever een goede schrijver geweest, want ik zoek graag dingen tot in detail uit en speur vervolgens naar een nieuwe logica, naar een nieuwe manier van kijken. Zo vroeg ik me in mijn onderzoek ‘Open Borders’ als Fellow aan de Universiteit van Chicago af: wat is een grens? Hoe zien de grenzen binnen het gesegregeerde Chicago eruit? Met welke interventie kun je ervoor zorgen dat een grens ineens iets heel anders is? Hierbij heb ik me laten inspireren door Bruno Latours ode aan de deur. Als je in plaats van een deur een gat in een muur zou maken, dan kan alles en iedereen naar binnen, maar een deur kan open en dicht. Het is een hybride grens, die je naar eigen inzicht dicht, een beetje open of helemaal open kunt zetten. Zo’n observatie vind ik enorm inspirerend.”

Wat heb je meegenomen van je onderzoek in Chicago naar Nederland?

“Ik maak me zorgen over de toenemende ongelijkheid binnen groepen hier. In Amerika heb ik gezien hoe sterk de toename is als de overheid hierin geen verantwoordelijkheid neemt. Ik heb het idee dat het dezelfde kant opgaat in Nederland, terwijl onze volkshuisvestingstraditie altijd onze kracht was. Ik vraag me af in hoeverre architectuur hier iets aan kan doen en mee moet. Als ik naar de woonblokken kijk van de Amsterdamse school dan vraag ik me af: waarom is dergelijke sociale woningbouw niet meer mogelijk?”

Je bent erg maatschappelijk betrokken. Is het voor jou belangrijk dat je als je een gebouw ontwerpt, je daarmee de wereld een betere plek maakt?

“Wanneer ik me met architectuur bezighoud dan vind ik het belangrijk dat ik iedereen die erdoor beïnvloed wordt, zie en een plek krijgt. Natuurlijk ben ik als architect een dienstverlener en werk ik voor een opdrachtgever, maar ik kan wel kiezen wie mijn opdrachtgevers zijn en aan welke opgaves ik werk. Toen ik bijvoorbeeld Bjarke Ingels naast de Braziliaanse president Jair Bolsonaro op een foto zag staan, vroeg ik me af: kun je daar iets niet van vinden? Architectuur is immers altijd politiek en gaat vaak over het grote geld. Daar moeten architecten zich bewust van zijn.”

Als je als architect altijd vanuit een sterk moreel besef handelt, zet je jezelf wel in een kwetsbare positie. Want bijna elk project heeft wel een commerciële kant. Welk effect heeft dit op jouw dagelijkse praktijk?

“Ik verdien niet zo veel geld. Als ik trouw ben aan mijn ideeën is dit blijkbaar de consequentie. Maar dat is wel een obstakel. Ik kan mezelf onderhouden en heb een fijn huis, maar het gaat allemaal net. Het afgelopen jaar in Amerika had ik als fellow een goed inkomen. Dat gaf me rust. Een dergelijk stabiel inkomen is wel iets wat ik ambieer.”

Waarom?

“Zorgen voor voldoende inkomen gaat ook over de hoeveelheid verantwoordelijkheid die je daarmee kunt nemen. De vrijheid die ik nu ervaar is heel erg fijn. Ook beantwoordt alles wat ik doe aan mijn eigen maatstaven. Maar ik wil ook bepaalde verbindingen aangaan, met de mensen waarmee ik werk en waarmee ik leef. Daar wil ik de verantwoordelijkheid voor dragen.”

“Het mooie aan het architectenvak is dat ik lange tijd bij een project betrokken ben en dat op de achtergrond langzaam iets ontstaat”

Op welke manier werk jij het liefst met je opdrachtgever?

“Mijn ideaal is dat de opdrachtgever en ik onderling een goede klik hebben en dat we een hecht team vormen. Met Jurgen Bey heb ik bijvoorbeeld vijf jaar lang gewerkt aan het interieur van het Sandberg Instituut. Hoewel het niet altijd makkelijk ging, hadden we een gezamenlijk doel voor ogen en gingen we continu de dialoog aan hoe daar te komen. Het mooie aan het architectenvak is dat ik lange tijd bij een project betrokken ben en dat op de achtergrond langzaam iets ontstaat.”

Dit klinkt alsof je graag na oplevering ook nog betrokken zou zijn als architect. Is dat ook zo?

“Dat zou mooi zijn. De opdracht is afgerond, maar ik voel me nog erg betrokken. Zo bekijk ik de foto’s die studenten van het interieur op Instagram posten. Het zijn persoonlijke foto’s die een goede indruk geven van hoe de ruimte wordt gebruikt en hoe het gebruik verandert.”

Veel architecten vinden het fijn dat ze naar een gebouw kunnen wijzen en kunnen zeggen dat heb ik gemaakt. Een fysieke nalatenschap van hun inspanningen. Is dit ook voor jou belangrijk waardoor de keuze tussen architectuur en kunst een lastige is?

“Ik houd er wel van dat iets fysiek wordt, maar dat hoeft niet per se een gebouw zijn. Ik maak steeds meer tekeningen en haal daar ook veel voldoening uit. Zo ben ik nu met een tentoonstelling in Zweden bezig, waar ik een visueel essay in tekeningen maak. Ook onderzoek ik de mogelijkheden om een boek te maken over mijn reis die ik afgelopen jaar langs de Missisippi maakte. Deze rivier barst continu uit zijn voegen. Er zijn door Harold Fisk schitterende tekeningen gemaakt van het stroomgebied van de rivier dat steeds verandert. Ik zou graag door een andere manier van representeren een nieuw, meer waarheidsgetrouw, perspectief op de rivier bieden. Bijvoorbeeld door het maken van een kaart die de mate van natheid aangeeft i.p.v. dat een harde lijn als grens waar de rivier stopt en het land begint.”

“Ik heb de keuze nog niet gemaakt; mocht ik voor de kunst kiezen dan zou ik nooit een grote bouwopgave afslaan”

Ligt het voor de hand om uiteindelijk voor de kunst te kiezen?  

“Ik heb de keuze nog niet gemaakt; mocht ik voor de kunst kiezen dan zou ik nooit een grote bouwopgave afslaan. Maar het architectenvak vraagt momenteel wel iets van me dat niet bij me past. In Nederland wordt de kwaliteit uit alle projecten gedrukt, zeker als ik naar de woongebouwen kijken die in hoge snelheid uit de grond wordt gestampt. Als architect moet je blijkbaar continu met je opdrachtgever in gevecht zijn om kwaliteit te maken. Wanneer je een echte vechter bent en een lange adem hebt, dan kan ik me voorstellen dat je daar lol uithaalt en uiteindelijk een positie bemachtigt, maar ik word daar ongelukkig van. Ik ben te zacht in dergelijke onderhandelingen. Iets waar ik overigens niet per se trots op ben.”

Je zou kunnen zeggen dat je zachtheid een typische vrouwelijke eigenschap is. Heb jij het idee dat je jezelf ander gedrag moet aanmeten als architect?

“Toen ik in Chicago woonde, leerde ik de Amerikaanse architect Jeanne Gang kennen. Ik ben niet zo zeer van haar werk onder de indruk, als wel van haar visie op het vrouw-zijn binnen de branche. Op een conferentie lichtte zij de rekenmethode toe die haar bureau gebruikt om inkomensongelijkheid inzichtelijk te maken en tegen te gaan. Volgens haar ligt de oplossing er niet in dat vrouwen zich moeten vermannen door zich harder en dominanter te gedragen. Zij vindt dat we moeten strijden voor een betere en passendere positie. Als er een grotere bandbreedte aan types een plek krijgt binnen de branche, ontstaat de nuance die zij noodzakelijk acht voor een gelijkwaardige beloning. Een heel raak inzicht. Laten we iedereen vooral in zijn waarde laten, daar wordt de wereld – ook de architectenwereld – een stuk leuker van.”