5   +   9   =  

“De huidige Nederlandse architectuur is over het algemeen niet zo interessant; te banaal of te schreeuwerig.” Marjolein van Eig (1975) pleit voor meer subtiliteit in architectuur. Nadat ze werkervaring had opgedaan bij biq architecten, Vera Yanovshtchinsky architecten en Inbo, richtte ze in 2014 BureauVanEig op. “Na de oplevering van de Koepel op de Overplaats dacht ik: als ik nu word overreden, dan is het goed.” Een gesprek over het belang van saaie architectuur en vakmanschap. Maar ook over waarom er minder vrouwen dan mannen als architect werkzaam zijn en haar worsteling met milieubewust bouwen.

Waarom werk je als architect?

“Architect is een oer beroep, net als dokter en advocaat. Mensen hebben een dak nodig en het is eervol om die basisbehoefte vorm te geven en er invloed op te hebben.

Ben je dan trots op de impact die je gebouw heeft op de samenleving of op hoe het is gebouwd?

Op beiden. Ik krijg regelmatig positieve reacties. Haarlemmers die blij worden van de eigenwijze sculptuur van het Melkhuisje. Of Rotterdammers die roepen dat de hele Lijnbaan moet worden zoals het eerste deel, na onze gevelvernieuwing. Dat heeft volgens mij alles te maken met het vakmanschap en het verder bouwen met bestaande kwaliteiten.   

Als ik kijk naar jouw architectuur dan heb ik het idee dat je tijd bij biq architecten het meest vormend was. Klopt dat?

“Ik ben opgeleid in de tijd dat bureaus als Mecanoo bepalend waren voor de architectuur in Nederland. Hun projecten werden toen gekenmerkt door vorm en kleur, waarbij het contrast werd gezocht met de omgeving. Maar deze aanpak vind ik niet interessant. Het is vaak niet nodig om zo uit te pakken. En er is niks mis met saaie architectuur, het gaat erom de juiste accenten te leggen. Architectuur is vaak onbelangrijk, waardoor het veel interessanter is om kritisch te zijn op wat je als architect kunt toevoegen. Ik bedenk altijd waarom er wordt gebouwd en zoek aansluiting bij de omgeving.”

“Architectuur is vaak onbelangrijk”

“Rick Wessels en Hans van der Heijden (de oprichters van biq architecten, maar in 2014 is Hans van der Heijden zijn eigen bureau gestart, red.) beheersen deze benadering als een van de besten. Toen ik na mijn studie bij hen begon, kwam ik architectonisch thuis. Daar heb ik me kunnen ontwikkelen in het vakmanschap, iets wat ik toentertijd lang niet altijd even leuk vond. Elke millimeter moest ik verantwoorden. Wanneer een toilet een paar centimeter werd verplaatst, moest de hele tekening worden aangepast. Maar uiteindelijk heb ik me hun zorgvuldige werkwijze eigen gemaakt.”

Kun je een voorbeeld geven van je eigen werk waarin je zo te werk bent gegaan?

“Recent hebben we de gevelvernieuwing van Lijnbaan 35-43 in Rotterdam opgeleverd. Rotterdam is sinds WOII een kapotte stad. Er is enorm veel gebouwd om de gaten op te vullen, maar nu is het tijd om te kijken naar bestaande kwaliteiten en daar zorgvuldig mee om te gaan. Ondanks dat we op een deel van de Lijnbaan alleen maar de gevel hebben vernieuwd, is het gelukt om veel kwaliteit toe te voegen door aanwezige kwaliteiten van de wederopbouwarchitectuur te versterken. Zo hebben we het ritme van de betonnen penanten doorgetrokken naar beneden en nieuwe ranke, stalen kozijnen geplaatst, verwijzend naar de oude. Ook is de luifel eraf gehaald en de pui in twee lagen verdeeld. Hierdoor ontstaat een vanzelfsprekende relatie met de winkelpanden aan de overkant die ook geen luifel hebben en uit twee lagen bestaan.”

“Maar nu is het tijd om te kijken naar bestaande kwaliteiten en daar zorgvuldig mee om te gaan”

Lijnbaan 35-43 Rotterdam. Foto: Sebastian van Damme

Lukt het je altijd om deze kwaliteit te realiseren?

“Mooier dan het koepeltje (op de Overplaats in Heemstede, red.) wordt het niet, denk ik weleens. Door de kleine schaal van het project, kon ik perfectie nastreven. Bij een groter project, is dit veel moeilijker, maar dat maakt het vak natuurlijk ook zo interessant. Momenteel werken we, aan een aantal woningbouwverbeteringen en verduurzaming van jaren ‘60 galerij- en portiekflats. Onze opdracht daarin is meestal klein, de aannemer speelt een belangrijke rol. Het is dan vechten voor kwaliteit en voor de technische uitwerking. We zien dit ook als een belangrijke architectonische opgave. Tegelijkertijd maken bij dergelijke projecten de subtiele architectonische details niet per se het verschil. Door de schaal van de projecten gaat het niet altijd om dat mooie plintje. Het is een kwestie van kiezen: waar kunnen we het laten en waar gaan we de strijd aan?

Theekoepel op de Overplaats in Heemstede. Foto: Allard van der Hoek

Is de opdrachtgever bepalend voor de kwaliteit die je als architect kunt realiseren?

“Jazeker. Zo hadden we voor de gevelvernieuwing van de Lijnbaan een opdrachtgever die ons volledig heeft vrijgelaten en bijna alles heeft doorgevoerd wat wij adviseerden. Terwijl ik al een goedkoper alternatief achter de hand had voor de dure messing coating van de kozijnen, heeft hij niet eens overwogen om hierop te bezuinigen. De profielen hebben hierdoor een mooie patina glans.”

“Hier komt onze visie, saaie architectuur met de juiste verhoudingen en accenten, goed van pas”

“Tegenwoordig gaan echter steeds meer projecten via de aannemer. Dan ligt soms in de fase van het schetsontwerp de prijs van alle onderdelen al vast, waardoor er bijna geen budget is voor bijzondere detaillering. Hier komt onze visie, saaie architectuur met de juiste verhoudingen en accenten, goed van pas. Maar we zijn liever bij alle fasen van het bouwproces betrokken.”

Loop je er wel eens tegenaan dat je een vrouwelijke architect bent?

“Daar sta ik eigenlijk bijna nooit bij stil. Ik meet me ook met mannelijke architecten. Maar ik realiseer me wel steeds meer dat anderen wellicht zo naar me kijken. In het tenderproces kan dat nog wel eens voordelig zijn.”

“Op een architectenbureau werken heeft iets claustrofobisch”

Hoe kan het dat er minder vrouwen werkzaam zijn als architect dan er als zodanig worden opgeleid?

“Misschien is het toch niet zo’n leuk vak? Op een architectenbureau werken heeft iets claustrofobisch. Het is hard werken en niet goed betaald. Bouwen zelf is best wel technisch. Dat moet je liggen. Daarnaast heeft het krijgen van een kind veel impact. Een verse vader neemt een paar dagen vrij, maar als vrouw ben je er minimaal vier maanden uit. Dat zou bij mij nu niet kunnen. Ik heb kinderen gekregen toen ik nog in loondienst was, dat was achteraf gezien fijn.”

En hoe regel je het nu je kinderen hebt? De cijfers laten zien dat veel vrouwen op de leeftijd dat ze kinderen krijgen de professie verlaten.

“Ik merk dat mannen het makkelijker om fulltime te blijven werken, zo zijn ze meestal opgevoed. Als vrouw moet je stevig in je schoenen staan om het anders te doen en de zorgtaken eerlijk te verdelen. Wij hebben zelf de balans redelijk op orde, maar het is een voortdurende onderhandeling. We vinden allebei ons werk leuken en werken hard, maar we vinden het ook leuk èn belangrijk om bij onze dochters te zijn.”

“Gaan we echt over 30 jaar aan de slag met de materialen van de gebouwen die nu gebouwd worden?”

Hoe zie jij het vak ontwikkelen? Waar maak jij je zorgen over?

“De bouw is een grote vervuiler en dat is een probleem. Het ontstaan van circulaire productiestromen en alternatief materiaalgebruik vind ik interessant. Tegelijkertijd vraag ik me af hoe realistisch initiatieven als Madaster zijn. Gaan we echt over 30 jaar aan de slag met de materialen van de gebouwen die nu gebouwd worden? Het is zoveel gemakkelijker om iets nieuws te maken.”

“Er zijn enorme innovaties op het gebied van materialen. Hout wordt een steeds beter alternatief als bouw- en constructiemateriaal. Ik juich het toe dat woningen weer in hout gebouwd worden, dat is toch veel fijner – en flexibeler – om in te wonen dan tussen al dat beton. Ik ben natuurlijk wel bezorgd dat we straks niet meer in baksteen mogen bouwen. Ik zie daar geen goed alternatief voor. Er bestaat geen bouwmateriaal met zo’n uitstraling en dat zo alzijdig is als de baksteen”

Garstkamp, Amsterdam – voor. Foto: Inez Tan
Garstkamp, Amsterdam – na. Foto: Allard van der Hoek

Waar richt jij je met je bureau voor de toekomst op?

“Toen ik vijf jaar geleden met BureauVanEig begon wilde ik niet in de particuliere hoek belanden en ook niet alleen maar werken aan woningbouw. Ik vind juist de verschillende schalen, contexten en programma’s interessant. Deze startambitie is gelukt, we maken echt van alles. Wel zou ik graag meer landschappelijk werk doen, maar die opdrachten zijn schaars. Ook zou ik graag werken aan grotere publieke (transformatie)opgaven. Helaas worden die vergeven via publieke tenders en daar doe ik bijna niet aan mee. Het heeft geen zin.”

Waarom niet?

“De architectenselectie is risicomijdend en daarmee volledig gericht op ervaring. Vanuit de opdrachtgever is dat heel begrijpelijk, een schooldirecteur wil graag een architect die het kan. Maar als je als overheid het architectuurklimaat in Nederland belangrijk vindt, dan moet je het stimuleren. Dit is een thema waar ik mij al jaren hard voor maak. In Rotterdam is dit nu gelukkig opgenomen in de nieuwe architectuurnota. De stad streeft naar meer kansen voor talent, zoals Ben van Berkel, OMA en Mecanoo in de jaren ’90 kregen. Het heeft toen niet alleen de architecten, maar ook de stad veel gebracht. Nu zie je dat het Nederlands talent, zoals HappelCornelisseVerhoeven, Studio Maks, Krft, naar het buitenland uitwijkt.”

Dit interview is mede mogelijk gemaakt door de kwartaalsubsidie van de Fleur Groenendijk Foundation.