3   +   5   =  

Herbestemming van erfgoed is niet langer voorbehouden aan restauratiespecialisten. Dit dankzij de nieuwe Omgevingswet, die gebouwen niet langer beschouwt als zelfstandige objecten maar als onderdeel van een groter geheel. Ook voor menig architectenbureau’s is herbestemmen de dagelijkse praktijk. Waar het echter vaak aan ontbreekt, is een werkbare methodiek. Karianne Vandenbroucke biedt in haar boek ‘Mag dit weg’ houvast.

In ‘Mag dit weg’ illustreert Karianne Vandenbroucke aan de hand van drie actuele herbestemmingen van jonge monumenten het belang van de relatie tussen erfgoed en de directe omgeving: Post Utrecht – het voormalige Hoofdkantoor voor PTT tussen de Neude en de Oudegracht te Utrecht, The Garage – de voormalige Citroëngarage aan het Stadionplein te Amsterdam en het voormalige Hoofdkantoor van De Telegraaf aan de Nieuwezijds Voorburgwal te Amsterdam. “Door mijn eigen kennis en ervaring te vertalen en in een werkbare methodiek samen te vatten, probeer ik een brug te slaan tussen de erfgoedwereld en de nieuwbouwwereld.”

Lees hieronder alvast de inleiding van ‘Mag dit weg’.

Inleiding – Herbestemming als opgave

Fort Napoleon te Oostende is het belangrijkste militaire monument in Vlaanderen uit de Napoleontische tijd. Hoewel de vesting de afgelopen twee- honderd jaar veel verschillende functies heeft gehad, is het in uitzonderlijk goede staat gebleven. Het is een voorbeeld van een polygonaal stelsel uit 1811 met een massieve metselwerk kern, omgeven door een droge gracht met steunmuur en daaromheen de glooiende duinen.

Fort Napoleon – Foto: Govaert & Vanhoutte Architects

In 2000 werd Fort Napoleon herbestemd tot museum en evenementenlocatie. Twee jaar na de oplevering bezocht ik dit project. Ik stond in het fort en keek om me heen. Ik zag welke intrigerende en intelligente ingrepen hier waren bedacht en uitgevoerd om de vesting met behoud van al zijn kracht en identiteit een nieuwe toekomst te geven.

Zo waren er bijvoorbeeld een entree en een restaurant- zaal bijgekomen. De wijze waarop deze zijn ingepast in het gebouw voegt waarde toe, omdat je het fort er beter door begrijpt. Doordat je niet rechtstreeks binnenkomt maar in een hoek van het gebouw, via een hellingbaan en door grote, nieuwe poorten, begrijp je meteen dat het ook niet de bedoeling is dat je hier makkelijk binnenstapt.

Entree Fort Napoleon – Foto: Martine Neirynck (Govaert & Vanhoutte Architects)

Maar wat op mij het meeste indruk maakte, was de restaurantzaal. Deze steekt als een glazen doos dwars door het fort. Dat lijkt in eerste instantie een grove ingreep: hiervoor moest immers authentiek materiaal worden doorbroken. Maar het is ingenieus, omdat dit een sublieme manier is om de doorsnede van het fort te bekijken en te beleven. Achter de glazen gevel in het restaurant zie je in een oogopslag hoe de vesting gebouwd is en hoe de verdediging bedoeld was.


Restaurant in Fort Napoleon – Foto: Martine Neirynck (Govaert & Vanhoutte Architects)

Bovendien had men ervoor gekozen om uitsluitend de onderdelen te restaureren die noodzakelijk zijn voor de (nieuwe) exploitatie. Dit was niet alleen een financiële keuze, maar ook een ideële: als je nu door het fort loopt voel je de geschiedenis ervan, en tegelijkertijd het verval. Niets is weggepoetst of ‘dood’ gerestaureerd. Het is deze aantrekkingskracht die de locatie interessant maakt voor een museumbezoek of om haar af te huren voor een evenement. Het erfgoed versterkt dus de nieuwe functie.

Gewelf in Fort Napoleon – Foto: Natalie Luys

Een mooi gevolg van deze geslaagde herbestemming was dat kort na de oplevering de directe omgeving werd aangewezen als cultureel landschap. De duinen eromheen waren altijd al onlosmakelijk met het fort verbonden, maar pas nu je de vesting weer ten volle begrijpt, zie je ook het belang van de wisselwerking met het landschap.

Het geheel maakte enorm indruk op me. En ik realiseerde me wat de rol van het betrokken architectenbureau, Govaert & Vanhoutte, hierin was geweest. Dat was het moment waarop ik wist dat ik restauratie-architect wilde worden.

Hellingbaan bij de entree van Fort Napoleon – Foto: Martine Neirynck (Govaert & Vanhoutte Architects)

De restauratie-architect

In die periode volgde ik de Master of Science in Conservation of Monuments and Sites, een postdoctorale opleiding aan de Katholieke Universiteit van Leuven. Tijdens mijn studie voor ingenieur-architect had ik al gemerkt dat ik ontwerpen vanuit een wit vel papier moeilijk vond. Ik had een fascinatie voor oude gebouwen, voor de verhalen van mensen die daar hadden gewoond en gewerkt en voor de geschiedenis die je uit monumentale panden kunt aflezen. Vandaar mijn keuze voor een postdoctorale opleiding over monumentenzorg.

Toen ik eenmaal besloten had om restauratie-architect te worden, ben ik bij verschillende bureaus gaan werken die hierin gespecialiseerd waren.
In die tijd was herbestemming in Nederland nog een specialisme binnen het architectenberoep. In 2004 werd architectenbureau Fritz mijn eerste werkgever. Maarten Fritz is filosofisch en academisch in zijn aanpak. Zijn werk is een permanente zoektocht naar een nieuwe visie op het vakgebied.

Daarna kwam ik terecht bij Rappange & Partners architecten. Bij dit bureau raakte ik vertrouwd met een meer bouwtechnische oriëntatie. Voorop stond de kwaliteit van de uitvoering, het architectonische detail. Rappange & Partners architecten benadert gebouwen op gevoel: wat goed gemaakt en stilistisch in lijn is met het geheel, blijft. Wat kwalitatief onder de maat is, verdwijnt.

Vervolgens ging ik bij Vereniging Hendrick de Keyser werken. Hier keek men niet alleen naar het verhaal van een gebouw, maar ook naar de betekenis ervan binnen de cultuurhistorische context. Ik hield mij bezig met de geschiedenis van de panden en de vertaling daarvan in de restauratieaanpak. Zo bracht ik ongeveer twaalf jaar in de traditionele restauratiewereld door, tot ik in 2016 als erfgoedspecialist bij Rijnboutt in dienst trad.

De herbestemmingsarchitect

Rijnboutt was typisch een bureau dat vooral veel nieuwbouw realiseerde, met af en toe een transformatie van een bestaand gebouw. Vanuit hun

op nieuwbouw gebaseerde kennis en vakmanschap werden deze transformaties aangepakt als een verbouwopgave. Maar sinds 2006 kwamen er steeds meer projecten met een herbestemmingsopgave of een erfgoedcomponent in de portefeuille. Vanuit dat vakmanschap en vanuit aandacht voor de context groeide bij Rijnboutt de behoefte aan meer verdieping en kennis op het gebied van erfgoed, zodat keuzes bij herbestemmingsprojecten beter onderbouwd konden worden. Rijnboutt vindt dat gedegen onderzoek en analyse een goede basis vormen om bewuste keuzes te kunnen maken aan het begin van het proces. Daardoor kan de aanpak van het project beter gestructureerd worden, in plaats van te reageren op vondsten of meningen van anderen. Die aanpak en die keuzes moeten immers leiden tot een betekenisvolle(r) bijdrage van het project aan zijn omgeving.

Rijnboutt staat niet alleen in zijn zoektocht naar de beste aanpak van herbestemmingsprojecten. Het lijkt wel alsof heel Nederland opeens aan het herbestemmen is geslagen. Ik heb me vaak afgevraagd wat er veranderd is. In 2010 werd door het Rijk het Nationaal Programma Herbestemmen gelanceerd met een enorm arsenaal aan middelen, campagnes en partners. Maar waarom net toen? En hoe komt het dat dit programma zo succesvol is? Wellicht is de toenemende globalisering een oorzaak? Mensen gaan op zoek naar hun identiteit, naar herkenning, en vinden die mogelijk terug in erfgoed. Misschien is het een reactie op de tabula rasa aanpak van de jaren zestig en zeventig, toen alles modern en vooruitstrevend moest zijn en ‘oude meuk’ maar het beste kon verdwijnen? Of kan het zijn dat er na de financiële crisis meer waardering ontstond – ook vanuit economisch oogpunt – voor het benutten van bestaande gebouwen?

Hoe dan ook heeft het herbestemmen van erfgoed een enorme vlucht genomen. Dat loopt echter niet synchroon met het kennisniveau van dit specialisme bij menig ontwerpbureau dat in zijn dagelijkse praktijk met herbestemming te maken krijgt. Rijnboutt is niet het enige bureau dat aanloopt tegen vragen als: wat kan, wat mag en wat móet? En heel concreet: wat moet blijven en wat mag weg?

Toen ik bij Rijnboutt begon te werken, besefte ik pas hoezeer mijn opgebouwde kennis en ervaring verschilden van die van mijn collega’s, die voornamelijk met nieuwbouw en verbouw te maken hebben. Discussies met voormalige vakgenoten gingen bijvoorbeeld over de interpretatie van de kleur groen in kleurhistorisch onderzoek, of over het dateren van papierbehang aan de hand van de stempeltechniek waarmee de verf op het papier was aangebracht. Met overheden ging ik de dialoog aan over het terugbrengen van de hoogtijdagen van een pand (het moment in de geschiedenis waarop een gebouw in zijn bedoelde en meest glorieuze vorm bestond) versus het feit dat alle tijdslagen even belangrijk zijn – en hoe voorkom je dan verwarring bij de bezoeker die denkt dat alles wat oud is uit dezelfde tijd stamt? Met opdrachtgevers besprak ik hoe hun programma-eisen bijgesteld konden worden zodat ze in het gebouw pasten zonder erfgoedwaarden aan te tasten; het pand ging altijd voor. En met aannemers ging het over de juiste beitel om een achttiende- of negentiende- eeuws profiel mee te schaven en over de voor- en nadelen van het repareren van rotte balken door het inzetten van een stuk hout versus het aangieten met epoxy (kunststof).

Ik merkte dat ik niet alleen een andere taal sprak dan mijn collega’s bij Rijnboutt, maar ook op een andere manier naar een project keek. Ik deed uitspraken als: ‘Bij ons in de erfgoedwereld doe je kleurhistorisch onderzoek voordat je nieuwe kleuren uitkiest’ of ‘In monumentenland heet dat anders’. Ik moest opeens zaken die voor mij vanzelfsprekend waren, uitleggen aan collega’s die eveneens over bouwkundige kennis beschikten, maar een andere achtergrond hadden. En door hun kritische houding en onbevangen blik ging ik opnieuw nadenken over basisvragen als: ‘Waarom moet erfgoed behouden blijven?’, ‘Heeft alles wat oud is waarde?’ of ‘Mag dit weg?’ En vooral: ‘Hoe kunnen bestaande en nieuwe waarden elkaar versterken en hoe geef je dat concreet vorm?’

In de afgelopen drie jaar heb ik geprobeerd voor mijn nieuwe collega’s een duidelijke en handzame aanpak op te stellen voor herbestemmingsprojecten. Ik wilde hen inzicht geven in de keuzes die je kunt en moet maken bij dit soort opgaven, en hen helpen deze keuzes te onderbouwen. Om een goede afweging te kunnen maken, moet je weten waar je het over hebt. Het gaat eerder om het aanleren van een onderzoekende attitude, dan om het aanbieden van een kant-en-klare receptuur. In het begin is dat best lastig, omdat het je ontbreekt aan kennis en ervaring, of aan tijd of budget. Daarom is het – zoals voor alles – belangrijk je eigen grenzen te kennen en tijdig een deskundige in te schakelen. Hoe vaker je herbestemmingsprojecten uitvoert en met verschillende erfgoeddeskundigen samenwerkt, hoe vanzelfsprekender deze onderzoekende attitude zal zijn.

Door mijn eigen kennis en ervaring te vertalen en in een werkbare methodiek samen te vatten, probeer ik een brug te slaan tussen de erfgoedwereld en de nieuwbouwwereld. Deze methodiek, die ik ontwikkeld heb in dialoog met mijn collega’s bij Rijnboutt, heb ik uitgewerkt tot dit boek. De voorbeelden die ik aanhaal uit de restauratiepraktijk, komen uit mijn eigen werkervaring van voor ik bij Rijnboutt kwam. De voorbeelden die ik gebruik om de herbestemmingspraktijk te illustreren, komen uit de portefeuille van Rijnboutt. Daardoor zijn het allemaal projecten die ik zelf goed ken. Een groot deel van deze projecten staat in Amsterdam, waar ik sinds 2004 woon en werk.

Ik wil niet pretenderen dat de voorgestelde methodiek hét antwoord is op alle herbestemmingsopgaven in historische steden, maar – gecombineerd met de casussen – hoop ik dat het anderen wel inspireert en ten minste een stap verder helpt.

Wil je na het lezen van de inleiding van ‘Mag dit weg’, het hele boek van Karianne Vandenbroucke lezen? Bestel het boek dan hier bij Uitgever Nai101.