9   +   4   =  

“Dat er minder vrouwen dan mannen bij architectenbureaus werken heeft niks te maken met de professie zelf.” Dikkie Scipio, oprichter KAAN Architecten, steekt meteen van wal met een statement over vrouwen in architectuur. Wat volgt is een gesprek over dat ze verantwoordelijkheid wil nemen als rolmodel, maar ook als het gaat om het debat over de kwaliteit van architectuur. Als het aan haar ligt, zet ze eerst nog twee grote gebouwen neer en wordt ze daarna Rijksbouwmeester.  

Zodra we plaats hebben genomen in de vergaderzaal valt Dikkie Scipio met de deur in huis: “Jij interviewt dus vrouwen in de architectuur. Ik vind ‘vrouwen in de architectuur’ een lastig onderwerp. Heb ik altijd al gevonden. Ik verzet me met hand en tand dat de minderheid aan vrouwen in architectenbureaus te maken heeft met de inhoud van het vak. Het is onzin dat gender van invloed is op de kwaliteit van je werk als architect.”

“Alles moet in het eerste deel van ons leven gebeuren”

Waar heeft het dan mee te maken?

“Alles moet in het eerste deel van ons leven gebeuren – een huis kopen, kinderen krijgen, carrière maken -, terwijl ondertussen onze levensverwachting maar blijft stijgen. We krijgen steeds meer tijd, terwijl onze vruchtbare leeftijd gelijk blijft. We moeten daarom een visie ontwikkelen op onze gehele levensspan. De tijd dat we kinderen krijgen en opvoeden vormt relatief een steeds kleiner deel van ons leven. Dat moeten we een goede plek geven in het eerste deel van ons leven waarin we ook ruimte moeten maken voor een gedegen opleiding. Na de 18 jaar zorgplicht voor je kinderen, waarin je je op allerlei vlakken hebt ontwikkeld, kun je volle bak voor je carrière gaan. Een dergelijke totaalvisie zal leiden tot een veel gelukkigere en rustigere samenleving. Maar dat gaat nu nog niet gebeuren.”

Wanneer wel?

“Pas als de babyboomers zijn overleden. Dan komt er een gevoel van urgentie, doordat de verantwoordelijkheid voor de samenleving ineens bij een hele kleine groep te liggen. Nu loopt een groot deel van die groep al met een burn-out, want het is hartstikke zwaar om kinderen op te voeden en tegelijkertijd carrière te maken. Ongeacht de professie waarin je werkzaam bent.”

Dat er minder vrouwen bij een architectenbureau werken is vooral te wijten aan het feit dat ze kinderen krijgen?

“Ja. Als een vrouw geen kinderen krijgt, dan blijft dezelfde set regels gelden als voor mannen. Dan kan ze zonder enige belemmering vol voor haar carrière gaan.”

“Wij vrouwen kunnen op het werk min of meer doen alsof we geen kinderen hebben, als we tenminste geluk met onze partner hebben”

Maar hoe kan het dan jonge vaders wel bij architectenbureaus blijven werken?

“Omdat het mannen zijn. Natuurlijk hebben zij ook een zorgplicht naar hun kinderen, maar zij zijn niet zwanger, zetten geen kind op de wereld en geven geen borstvoeding. Wij vrouwen kunnen op het werk min of meer doen alsof we geen kinderen hebben, als we tenminste geluk met onze partner hebben. Maar als we nou eens wat trotser zijn op dat we vrouw zijn, dan pakken we gewoon wat meer tijd in die eerste, drukke fase van ons leven. Krijgen we eerst kinderen en gaan we pas later vol voor onze carrière.”

Meer tijd pakken. Is dat jouw advies aan werkende moeders?

“Ja. Moederschap is het mooiste wat er is. Ik vind het heel erg jammer dat ik me dit deels heb laten ontnemen door mijn eigen idee dat ik op de werkvloer van alles moest bewijzen. Ik ging maar door en door. Maar dit is niet gezond en ook onnodig. Het komt gewoon later. Wij vrouwen moeten zelfverzekerd in alle rust onze positie bepalen. Zo heb ik een tijd geleden besloten dat ik niet werk aan projecten waarvoor ik langer dan een nacht van huis ben. Dit is een hele bewuste keuze voor mijn gezin geweest, maar dit betekent ook dat ik bijvoorbeeld geen projecten kan doen in China.” 

“Als ik een voorbeeld wil zijn voor jonge vrouwen, dan moet ik er staan”

Mijn rubriek Mevr. De Architect is vooral opgericht om vrouwelijke architecten een podium te geven. Ik vind dat ze te weinig zichtbaar zijn. Zo weten veel mensen niet dat jij een van de partners bent bij KAAN Architecten. Iedereen denkt dat het bureau wordt gerund door Kees Kaan. Wat vind je hiervan? 

“Daar baal ik enorm van. Ik heb pas onlangs begrepen dat naar buiten treden een belangrijk onderdeel is van mijn werk. Als ik een voorbeeld wil zijn voor jonge vrouwen, dan moet ik er staan. Ook wil ik niet dat mijn werk wordt toegeschreven aan anderen. Dit betekent dat ik moet werken aan mijn zichtbaarheid, maar dat vind ik lastig. Ik werk het liefst aan mijn projecten, en die mogen niet aan kwaliteit verliezen als ik meer naar buiten treed.”

Wat betekent kwaliteit in architectuur voor jou?

“Dat ik het vakmanschap van ons vak op alle niveaus heel serieus neem. Als architect creëer ik ruimtes, maar voordat ik daarmee begin beschouw ik de werkelijke opgave vanuit verschillende invalshoeken. Ik start pas na een goed begrip van de opdrachtgever en de gebruikers. Er is een groot verschil tussen wat mensen denken wat ze willen en wat ze nodig hebben.”

“Uiteindelijk wil ik dat een gebouw beklijft, dat het zo aantrekkelijk is dat mensen het continu willen ontdekken en ervaren. Dat ze een relatie aangaan met de ruimte en de materialen waarvan die is gemaakt. Hiervoor is het belangrijk dat je als architect een groot voorstellingsvermogen hebt. Het mooiste compliment dat opdrachtgevers en gebruikers na oplevering kunnen geven is voor mij: ik had nooit kunnen bedenken dat het zo mooi zou worden.”

“Over een aantal jaar zou ik graag als Rijksbouwmeester aan de slag gaan”

Hoe vind je dat het de kwaliteit van de Nederlandse architectuur is gesteld?

“De architectuur in Nederland mist leiderschap en visie. Momenteel heerst er bij veel opdrachtgevers het idee dat architecten ontwerpers zijn die je kunt bellen om een mooi plaatje te maken. Maar dat is een groot misverstand. Architectuur is een complexe professie, zowel het maken van plannen als ze realiseren. Als vakgemeenschap hebben we dit helaas laten gebeuren. Nu is het elke keer een groot gevecht om kwaliteit te realiseren. Over een aantal jaar, als Floris klaar is en als ik nog twee grote gebouwen heb neergezet, zou ik daarom graag als Rijksbouwmeester aan de slag gaan.”

Wat zou je als Rijksbouwmeester kunnen doen als het gaat om het realiseren van een hogere architectonische kwaliteit?

“Tijdens de crisis hadden we nog de DBFMO’s, die hadden ook vele nadelen, maar het uitgangspunt om met z’n allen duurzame kwaliteit te maken was er goed aan. Nu de markt is aangetrokken, kan er weer geld worden verdiend en wordt een gebouw dat lang meegaat minder belangrijk gevonden. Nu moet een gebouw ‘circulair’ zijn wat zoveel betekent als ‘makkelijk te slopen’. Ik accepteer de marktmechanismes, maar niet dat bij gemeentes en andere overheden de mogelijkheid om visie te ontwikkelen is verdwenen.”

Ik spreek veel architecten die terugverlangen naar het architectuurklimaat in Nederland van 20 jaar terug. Toen kreeg jong talent veel meer kansen.

“Toen kregen inderdaad veel jonge architecten in Nederland bijzondere kansen dankzij de gereguleerde woningbouw. Maar dit gold niet voor de grote projecten, uitzonderingen daargelaten. Ik vind het aanmatigend als jonge architecten denken dat ze meteen het recht hebben om een groot complex te ontwerpen. Daar heb je veel ervaring voor nodig. Gelukkig groeit die vanzelf als je tenminste je talent ontwikkelt. Architectuur gaat over je opdrachtgever begrijpen, processen leiden, detailleren en bouwen. Kwaliteit betekent dat je perfectie nastreeft in al deze aspecten.”

Wat wil je nog bereiken als architect?

“Een gebouw maken dat eeuwig blijft staan. Veel ontwikkelaars boeken een gebouw in 15 jaar af. Zo bekeken zou ik in een eeuw ook zeven gebouwen maken, maar ik ben niet geïnteresseerd in veel. Wel in kwaliteit. Ik ben bijvoorbeeld geïnspireerd door de Franse schrijfster Margueritte Yourcenar. Zij schreef hetzelfde boek keer op keer opnieuw tot het perfect was. Ik vraag me in mijn werk af: wanneer heb ik een gebouw volledig in de vingers? Als ik een gebouw wil bouwen dat eeuwig blijft bestaan, moet het wel van honderd procent kwaliteit zijn.”

Dit interview is mede mogelijk gemaakt door de kwartaalsubsidie van de Fleur Groenendijk Foundation.