“De kracht van de historische binnenstad is dat ze leeft”

Welke toekomst heeft de historische binnenstad van Amsterdam? De Gemeente Amsterdam plaatste er in 1999 een stolp over, toen ze de grachtengordel aanwees als beschermd stadsgezicht. Elf jaar later kreeg ze op haar verzoek internationale erkenning voor de bijzondere kwaliteiten van de grachtengordel door een plaats op de UNESCO Werelderfgoedlijst te bemachtigen.

De UNESCO-status heeft de stad economisch gezien geen windeieren gelegd. Het aantal buitenlanders dat in Amsterdam overnacht, is de laatste zes jaar fors toegenomen met 48%1 . Deze toerismestroom zorgt voor meer bestedingen en daarmee voor meer banen. Maar tegelijkertijd ontstaat een grote druk op de ruimte van de binnenstad. Zo worden steeds meer woningen niet meer permanent bewoond, maar tijdelijk, mede door de opkomst van Airbnb. Is dit wel wenselijk voor het voortbestaan van de stad? Daarnaast heeft de gemeente de ambitie om de verduurzaming van Amsterdam te versnellen. Zo staat in haar duurzaamheidsagenda: ‘In 2020 kent Amsterdam 20% meer duurzame energie en 20% minder energiegebruik’. Daarbij wil de gemeente in 2050 aardgas vrij zijn. Maar gaan de bijbehorende maatregelen niet ten koste van de erfgoedwaarde? Deze vragen komen aan de orde tijdens een rondetafelgesprek tussen Aart Oxenaar (directeur Monumenten en Archeologie bij de Gemeente Amsterdam), Petra Brouwer (universitair docent UVA Kunstgeschiedenis), Suze Gehem (directeur De Groene Grachten) en Bart van der Vossen (architect-directeur Rijnboutt). Geen Disneyland-achtige ervaring Nu met de UNESCO-status de historische waarde van de Amsterdamse grachtengordel ook internationaal is erkend, wordt de bescherming ervan nog stringenter gereguleerd. Grote ruimtelijke ingrepen liggen dan niet voor de hand.

Wat betekent dit voor de ontwikkeling van de binnenstad?

“Die stolp over de grachtengordel zie ik niet als een groot probleem. De afgelopen decennia heeft de structuur bewezen veel programmatische veranderingen aan te kunnen, zonder dat de vorm is aangetast,” aldus Brouwer. “Toen ik veertig jaar geleden aan de Brouwersgracht kwam wonen, was het een sterk verkrot gebied met nog veel locale bedrijvigheid. Vervolgens kwamen er kantoren en nu is het dankzij de stadsvernieuwing een populaire woonplek. Maar mijn uitzicht is vrijwel onveranderd”, beaamt Oxenaar. “Mijn grootste zorg is echter het behoud van de functiemenging die er sinds jaar en dag is,” vervolgt Brouwer. “Het primaire doel van een stad is dat het een fijne plek is om te wonen en te werken. Zolang dat doel niet uit het oog wordt verloren, is toerisme – het ontvangen van bezoekers – een verrijking voor de stad. Maar gezien de huidige explosieve groei van het aantal toeristen, is het gevaar groot dat een bezoek aan de historische binnenstad een Disneylandachtige ervaring wordt. Met goede weten regelgeving valt dit te voorkomen. Kijk maar naar Venetië, daar ging het pas mis toen de wet werd losgelaten die permanente bewoning van de woningen voorschreef.”

Foto: Kees Hummel

Regie versus marktontwikkelingen

Om de binnenstad te beschermen wordt volgens Van der Vossen nieuw gebruik al snel ontmoedigd. “Grote retailers ervaren veel belemmeringen. Bijna nergens kunnen ze genoeg vierkante meters krijgen voor hun winkels. De gemeente zou ze moeten helpen zoeken naar de plekken waar wel ruimte is.” Oxenaar: “Vaak wordt in het beleid van de gemeente het ritme van de panden aangehouden, waardoor er geen functies in kunnen die groter zijn dan het betreffende pand. Zo ontstaat een diversiteit die onder andere de Negen Straatjes tot een groot succes maakt. Tegelijkertijd is de druk groot van internationale merken als Apple, Zara en Primark. Hoe krijgt de markt de ruimte om zich te ontwikkelen? De kracht van de historische binnenstad is dat ze leeft. En dat moet ook zo blijven.” “Maar als de markt meer ruimte krijgt, hoe houden we dan functies in de binnenstad die niet het optimale rendement behalen?” vraagt Brouwer zich af. “Momenteel is het onzeker of Pied à Terre (de grootste zelfstandige geografische reisboekhandel van Nederland, red.) wel aan de Herengracht kan blijven. Terwijl dergelijke winkels van grote waarde zijn voor Amsterdam. Voor je het weet is er een monocultuur van Nutella-winkeltjes. Ook daar moet de stad regie op voeren. Met straatmanagers en regelingen in het bestemmingsplan zijn in het verleden goede resultaten behaald.“

De grenzen van de grachtengordel

Van der Vossen vermoedt dat de komende vijftien jaar de grenzen van de beschermde grachtengordel worden opgezocht. “Politieke keuzes worden beïnvloed onder druk van grote investeerders. Zo is de transformatie van de oude Diamantbeurs (aan het Weesperplein, red.) tot creatieve ‘hub’ geëscaleerd. Het vergroten van het economisch potentieel ging ten koste van cultuurhistorisch waardevolle elementen.” “Er komen veel transformatieopgaven aan waarbij de commerciële waarde bepalender is dan de monumentale waarde. Vervolgens presenteert het geld zich als de redder van het erfgoed, terwijl het pand op essentiële punten wordt aangetast”, reageert Brouwer. “Wanneer je met een partij aan tafel zit die vooral commercieel denkt, dan is het de uitdaging om samen de werkelijke waarde van het gebouw te bepalen en die vervolgens in de transformatie centraal te stellen.” Van der Vossen: “Hiervoor is het van belang dat je bij het vaststellen van de monumentale waarde de nieuwe functie mag meenemen. Veel cultuurhistorici bij de gemeente zijn hierop tegen, maar wanneer zij op een open manier meedenken, is het vaak mogelijk om tot een goede oplossing te komen. Soms wordt de monumentale waarde in formele zin meer geweld aangedaan, maar gaat het complex er als geheel op vooruit.”

Duurzame monumenten

Een ander onderwerp waar de gemeente mee worstelt is de verduurzaming van de historische binnenstad. “Ik hoor vaak dat monumenten duurzaam zijn omdat ze er al heel lang staan. Maar bij de berekening van de footprint van een gebouw telt slechts voor een kwart de structuur mee. Het gebruik bepaalt de rest. Veel monumenten zijn voor een andere functie gebouwd. Zo wordt tegenwoordig gewoond in voormalige pakhuizen die daar bouwfysisch niet voor bedoeld waren,” aldus Gehem. Oxenaar merkt op dat bij het ontwerp van grachtenpanden is nagedacht over het energieverbruik. “Vaak bestaan ze uit compartimenten. Vroeger werd in de winter het woongedeelte zo klein mogelijk gemaakt om zo min mogelijk te stoken.” Gehem: “Dat klopt. Door toepassing van bestaande elementen – zoals luiken – is het energieverbruik gemakkelijk te verlagen. Deze quickwins staan ook in onze ‘Groene Menukaart’ die een overzicht biedt van alle mogelijkheden die er zijn om een historisch pand te verduurzamen.” Van der Vossen reageert: “Met een menukaart suggereer je dat monumenten verduurzamen eenvoudig is, maar maak maar eens een grachtenpand energieneutraal.” “Dat is inderdaad een uitdaging”, antwoordt Gehem, “Maar er is veel meer mogelijk dan veel mensen denken. Zo kan een bewoner kiezen uit de ruim vijftig maatregelen die hem ter beschikking staan.”

Amsterdam aardgasloos

“Hoe zou de gemeente haar beleid moeten aanpassen om haar duurzame ambities waar te maken?” vraagt Brouwer. Oxenaar: “Zou Amsterdam de verduurzaming van de grachtengordel niet collectief moeten aanpakken in plaats van elk monument tot in het laatste puntje te verduurzamen? Het lijkt me veel efficiënter om elders in de gemeente de benodigde energie op te wekken en die naar het historisch centrum te transporteren?” Het idee is plausibel. “In Amsterdam is in totaal twaalf vierkante kilometer plat dakoppervlak dat je zou kunnen voorzien van zonnepanelen en groene daken”, reageert Gehem. “Grote, duurzame warmtenetten zijn wat mij betreft ook de toekomst. Maar ook in de directe omgeving van de panden is veel winst te behalen. Voor de grachtengordel onderzoeken we momenteel samen met de gemeente hoe oud en nieuw kunnen samengaan zonder de erfgoedwaarde te verliezen. Dit kan bijvoorbeeld dankzij innovatieve technieken, zoals een zonnecollector die onder de dakpannen kan worden geplaatst. Voor het verwarmen van panden met een warmtepomp is lage temperatuurverwarming de beste optie. Zo’n systeem vereist wel een bepaalde isolatiewaarde en helaas zijn veel grachtenpanden zo lek als een mandje. Recent hebben we met een integraal team een aantal monumenten in Amsterdam ‘aardgasloos’ gemaakt. Het was een ingewikkeld proces, maar de opgedane kennis is waardevol en toepasbaar op andere panden.”

Erfgoed als uitdaging

De bescherming van erfgoed botst vaak met nieuwe gebruikerswensen en duurzaamheidsambities, maar desondanks kiest de samenleving steeds vaker voor behoud. Enerzijds vanuit cultureelhistorisch perspectief, anderzijds vanuit commercieel belang. Van der Vossen: “Slopen is voor de markt alleen een argument wanneer de constructie geen ander gebruik toestaat. Behoud is vaak net wat duurder, maar de belevingswaarde die je in stand houdt, krijg je met nieuwbouw nooit.” “De omgang met erfgoed wordt ook door ontwerpers steeds meer als een uitdaging gezien”, voegt Oxenaar toe. Volgens Brouwer betekent dit niet dat de samenleving nostalgischer is geworden. “Historisch bewustzijn hoort bij deze tijd. Vanaf de negentiende eeuw werd geschiedenis een vakgebied en gingen mensen zichzelf in de tijd bezien. Hoe meer we van vroeger weten, hoe meer we het verleden omarmen.” Maar wordt de liefde voor ons erfgoed niet te groot? Oxenaar haalt in dit kader een lezing van de architect Rem Koolhaas aan waarin hij stelt dat de huidige belangstelling voor erfgoed een keerzijde heeft. “We naderen het punt dat gebouwen of wijken die nog moeten worden gebouwd al als monument worden aangewezen.” Volgens Brouwer is dit te wijten aan het feit dat de scheidslijn tussen het nu en de geschiedenis steeds diffuser wordt. “Wij zijn ons hyperbewust dat alles wat we doen geschiedenis is. We kijken met een historische blik naar onze eigen tijd. Maar dit betekent niet dat we alles uit het verleden moeten bevriezen. Ook geschiedenis leeft.” 

Dit interview is geschreven voor het Rijnboutt Magazine #9 over Erfgoed (2017). Het hele magazine is hier te lezen en te downloaden.