“Architectuur moet leven om relevant te blijven”

“Interactie is de basis voor welzijn en geluk”, stelt Stephanie Akkaoui Hughes (1984). Ze startte in 2012 AKKA Architects vanuit een heldere visie: Architecting Interaction. Ze zet architectuur in om interactie tussen gebruikers te bevorderen. “Architectuur gaat niet over hoe een ruimte eruitziet, maar welk effect ze heeft op gebruikers.” Om dit te begrijpen, duikt Stephanie in de menselijke psychologie. Haar vrouw-zijn helpt haar hierbij: “de meer vrouwelijke kwaliteiten zijn erg welkom in de architectuur, zoals een groter inlevingsvermogen, meer begrip van communicatie en een handelbaar ego”.

Waarom ben je architect geworden?

“Ik was gefascineerd door het idee van de Renaissance-man, ook wel de Italiaanse Uomo Universale, een persoon die ‘verlicht’ is in alle mogelijke vakgebieden, waaronder kunst, wiskunde, atletiek, filosofie, muziek, geschiedenis en elk ander cultureel aspect van de samenleving. Voor mij gaat dit niet alleen over kennis, maar ook over een manier van denken, een grondhouding. Dit sprak me erg aan, want ik wilde me niet specialiseren, zoals nu wordt verwacht van de moderne mens. Voor mij komt de rol die een architect heeft het meest in de buurt van dit ideaal.”

“Daarnaast oefenen architecten invloed uit op de omgeving waarin we ons dagelijks bevinden. Waar je ook bent, binnen of buiten, bijna alles is tegenwoordig ontworpen. Met goed ontwerp wilde ik mensenlevens positief beïnvloeden.”

“Ik vroeg me af of ik het verkeerde vak had gekozen als dat de realiteit was binnen een van de beste architectenbureaus van de wereld”

Nu werk je al 12 jaar als architect. Is het gelukt? Heeft het positief beïnvloeden van mensen levens altijd een rol gespeeld in je werk?  

“Na mijn architectuurstudie in Beirut kreeg ik een baan bij OMA in Rotterdam, waar ik vijf jaar heb gewerkt. Dit was een geweldige ervaring, maar tegelijkertijd dreef ik steeds verder weg van mijn drijfveren. Architectuur werd voor mijn gevoel vooral gedreven door vorm en minder door de invloed ervan op gebruikers. Ik raakte gedesillusioneerd. Ik vroeg me af of ik het verkeerde vak had gekozen als dit de realiteit is binnen een van de beste architectenbureaus van de wereld. Als werken bij OMA het hoogst haalbare was op het gebied van architectuur, dan was vertrekken alleen een optie als ik het zelf totaal anders zou doen.”

Na vijf jaar ben je weggegaan en heb je AKKA Architects opgericht. Wat is er anders aan jouw benadering van architectuur?

“In mijn laatste jaren bij OMA volgde ik een tweede master die draaide om toegepaste creativiteit en ondernemersstrategieën. Tijdens deze opleiding vormde ik mijn visie ‘Architecting Interaction’. Ik kwam tot het besef dat interactie is de basis voor welzijn en geluk. Dit houdt in dat ik architectuur inzet als een middel om menselijke interacties te bevorderen. Architectuur gaat dan niet meer alleen over vorm en functie, maar ook over flow. Hierbij gaat het niet over hoe een ruimte eruitziet, maar welk effect ze heeft op de gebruikers. Dit is afhankelijk van de context, van het grotere geheel waar ze deel van uitmaakt, zoals de stad, tot het koffiekopje waaruit wordt gedronken.”

“Dit betekent dat de betrokkenheid van de gebruikers essentieel is. Voor een goed werkend ontwerp is het belangrijk dat ze gelegenheid krijgen om in de ruimte te groeien. Daarom is het onbegrijpelijk dat de contracten van architecten eindigen als het project is opgeleverd. In mijn visie moet je als architect betrokken blijven.”

Maar hoe ziet het ontwerpproces er dan uit?

“Ik onderscheid in het ontwerpproces vier fasen waarin we de gebruikers actief worden betrokken. Vooral in de eerste en laatste fase merken ze dat we de opgave op een andere manier benaderen dan meer traditionele architectenbureaus. Fase één gaat naast het opstellen van een goed programma van eisen, over een algemeen begrip van de opgave. In deze fase ontwerpen we niet, maar gaan we in gesprek met alle betrokkenen. Ontwerpen we bijvoorbeeld een school, dan beginnen we met de leerlingen. Vervolgens kijken we verder. Zijn er soortgelijke scholen? Wat werkt goed? Wat niet? Wat we niet doen, is vragen wat mensen willen. Het is onze verantwoordelijkheid om daar een idee over te vormen. Dat doen we aan door te vragen naar hoe het ze gaat, hoe hun dag eruitziet, wat ze willen bereiken, etc.  Vervolgens nemen we hun antwoorden niet letterlijk, maar proberen we de psychologie achter hun antwoorden te begrijpen.”

“In de tweede fase vertalen we de uitkomsten van de eerste fase in een visie en een ontwerp. Dit betekent niet dat we alle behoeftes en wensen een op een meenemen. Dan ontstaat er een ondefinieerbare meltingpot waar niemand iets aan heeft. Door met gebruikers te spreken, leren we te begrijpen wat het gebouw moet zijn, ook als zij weer weg zijn. Tijdens de derde fase wordt het ontwerp uitgewerkt en vervolgens gebouwd.”

“We leren gebruikers welke impact de ruimte op hen heeft, zodat ze zich betrokken voelen en ook de ruimte kunnen aanpassen als wij weg zijn”

“Voordat het gebouw af is, start de vierde fase. Wij laten de gebruikers vast inhuizen, zodat ze hun nieuwe omgeving kunnen ervaren en samen met ons afmaken. Voor de inrichting van een kantoor vragen we bijvoorbeeld leveranciers of we verschillende meubels mogen testen, zetten we de bureaus op verschillende plekken en bekijken we of akoestische maatregelen voldoen. We leren gebruikers welke impact de ruimte op hen heeft, zodat ze zich betrokken voelen en ook de ruimte kunnen aanpassen als wij weg zijn. Architectuur moet leven om relevant te blijven. Het kan toch niet zo zijn dat je gebouwen niet mag aanraken vanwege auteursrecht? De empowerment van gebruikers zie ik dan ook als een belangrijk onderdeel van mijn werk.”

Kost deze benadering niet veel meer tijd en dus geld?

“Nee, we gebruiken onze tijd efficiënter. De tijd die we investeren in de eerste fase, besparen we later in het proces. Doordat we veel tijd steken in het begrijpen van de gebruikers, ontstaan duidelijke kaders voor het ontwerp. Hierdoor hoeven we nooit meerdere opties te ontwikkelen. Het concept ontwerp komt niet als een verrassing en is altijd in lijn met de verwachtingen. Ook hoeven opdrachtgevers de eerste jaren geen kosten te maken, omdat het ze past als jas.”  

Krijg je altijd dit vertrouwen van gebruikers en opdrachtgevers? Je bent een vrouw, opgegroeid in Libanon en runt een jong architectenbureau. Hoe ga je om met vooroordelen?

“Dit zijn de karakteristieken die bepalen wie ik ben en waar ik voor sta. Vanuit deze stabiele, verankerde positie zijn vooroordelen niet meer dan een verschil in perceptie en perspectief. Mocht er iets in de weg staan van een goede onderlinge communicatie , dan breng ik het zo snel mogelijk ter sprake. Soms vinden opdrachtgevers het lastig om een grote opdracht aan een jong architectenbureau toe te vertrouwen, totdat ik toelicht dat iedereen binnen het bureau ervaring heeft opgedaan bij andere bureaus. Zo heb ik gewerkt aan grote, complexe projecten bij OMA. De andere keer vinden ze dat mijn roots in het Midden-Oosten liggen aantrekkelijk, omdat ze een internationale invalshoek zoeken. Of moeten ze eraan wennen dat het bureau wordt gerund door een vrouw, terwijl ik geloof dat vrouwelijke kwaliteiten erg welkom zijn in de architectuur, zoals een groter inlevingsvermogen, een beter begrip van communicatie en een handelbaar ego. Uiteindelijk willen wij vooral werken met opdrachtgevers die bij ons passen, we kunnen niet iedereen tevredenstellen.”

Dit interview is geschreven in opdracht van de BNA. Stephanie Akkaoui Hughes sprak tijdens de BNA Architectendag 2019.