“Architectuur moet reageren op sociale vraagstukken”

“Ik wil een kritische praktijk voeren die verandering teweegbrengt.” Architect Afaina de Jong (1977) runt al vijftien jaar architectenbureau AFARAI. Naast dat ze bouwt, schreef ze een boek, maakt ze tentoonstellingsontwerpen en verdiept ze zich vanaf 4 november in de feminist practice in de architectuur als artist in residence bij architectuurcentrum ARCAM. De splitsing in Nederland tussen maatschappelijk geëngageerde, experimentele bureaus en bureaus die bouwen vindt ze zorgwekkend. “Als architect ben je altijd dienend, maar het is goed om ook je eigen gedachtengoed te ontwikkelen en toe te passen in de praktijk.”

Waarom ben je snel na je afstuderen een eigen bureau begonnen?

“Mijn eerste en enige ‘echte’ baan was bij AMO, onderdeel van OMA. Maar op een gegeven moment bedacht ik me als ik zo hard moet werken, dan doe ik dat liever voor mezelf. Ook had ik geen zin om bij een ander architectenbureau gebouwen eruit te knallen. Dus begon ik mijn eigen bureau, dat ging vijftien jaar geleden nog relatief gemakkelijk. Ik begon met kleine projecten en schreef voor architectuurmagazine Mark Magazine, maar al snel kreeg ik grotere projecten, zoals de herbestemming van Hofbogen in Rotterdam en een theater in de Westergasfabriek in Amsterdam. Zo kwam ik in het hergebruik van industrieel erfgoed terecht. Ik vond het heel leuk om gebouwen met een geschiedenis te updaten naar een hedendaagse versie 3.0.”

En toen bracht je het boek ‘For the People, by the people’ uit. Hoe is dat zo gekomen?

“Herbestemmingen zijn lange trajecten. Een half jaar was ik aan het ontwerpen, vervolgens duurde het drie jaar om het gerealiseerd te krijgen. Tegelijkertijd ontstond er bij mij de behoefte om op een andere manier met ruimte bezig te zijn. Ik wilde meer invloed hebben op het denken over ruimte. Dus besloot ik om een boek te maken. Nu sta ik op het punt dat ik weer meer ga bouwen. Maar wel anders. Mijn werk is autonomer geworden. Door het boek en de ontwikkeling van mijn onderliggende gedachtes over ruimte, heb ik nu ook een gefundeerd idee over wat een publiek gebouw representeert en hoe deze functioneert binnen de context van de stad.”

Als ik autonoom werk kan ik heel direct mijn eigen verhaal vertellen

Waarom werk je graag autonoom?

“Als ik autonoom werk kan ik heel direct mijn eigen verhaal vertellen. Er zijn weinig randvoorwaarden, behalve het budget – en daarmee dus de materialisering -, maar verder heb ik veel vrijheid. Ik merk daarom dat onder andere tentoonstellingsontwerp me goed ligt. Ik vind de schaal fijn en houd ervan om verhalen te vertellen met ruimte. Ook werk ik nu aan een paviljoen in Zweden, daarnaast werk ik aan een bijdrage voor het Nederlandse paviljoen tijdens de Internationale Architectuur Biënnale in Venetië.”

Hoe zie je jouw autonome werk in verhouding staan tot de architectuur van het bouwen dat vooral een dienend vak is?

“Veel bureaus worden of academisch of economisch gedreven. Deze splitsing baart me zorgen. In de architectuur liggen deze twee werelden die bij elkaar horen soms best ver uit elkaar. We hebben organisaties en instellingen nodig die alle bureaus weer bij elkaar brengen en daarmee een grotere schakering van praktijken vertegenwoordigen. Juist de combinatie van autonoom werk en bouwen levert veel op. Om goede architectuur te maken is ontwikkeling van de inhoud nodig. Zo ontwikkelde Aldo van Eyck pas op latere leeftijd de stijl waarmee hij beroemd is geworden en beïnvloedt het experimentele en inhoudelijke werk van AMO de projecten van OMA.”

Wanneer heb jij je werk als architect goed gedaan?

“Ik ben tevreden als ik binnenkom en denk van ‘wauw, het voelt zoals ik had gehoopt dat het zou voelen’. Dit is het tegenovergestelde van ‘o, dit is niet gelukt of dit werkt niet’.”

Goede architectuur gaat over de ervaring van ruimte?

“Jazeker. Het draait allemaal om het gevoel dat je krijgt als je een ruimte betreedt. Er zijn ruimtes die mensen imponeren, maar ik hoop dat de ruimtes die ik ontwerp uitnodigend en omarmend zijn, dat mensen zich aangetrokken voelen tot de ruimte. Daarnaast vind ik het belangrijk dat architectuur een ander perspectief biedt op wat ruimte is. Dat ik tussen mensen een gevoel van verbinding teweegbreng.”

Ik vind het belangrijk dat architectuur een ander perspectief biedt op wat ruimte is. Dat ik tussen mensen een gevoel van verbinding teweegbreng.

Vanaf 4 november ben je Artist in Residence bij ARCAM? Welk onderwerp wil je agenderen?

“Ik ben met mijn praktijk al een tijd bezig met vorm te geven aan wat een feminist practice binnen de architectuur zou kunnen zijn. Het feministische gedachtengoed is een gigantische bibliotheek van denkers die proberen onze samenleving rechtvaardiger en meer gebalanceerd te maken door belangrijke maatschappelijk relevante onderwerpen aan te kaarten. Volgens mij moeten we dit gedachtegoed op alle lagen in de samenleving toepassen, van politiek tot architectenbureaus. Tijdens bij AIR-schap wil ik onderzoeken wat het inhoudt om een feminist practice te voeren. Ik hoop met uitgangspunten te komen waar andere bureaus wat aan hebben, door ze toe te passen of doordat ze zich herkennen.”

Evenveel vrouwen als mannen studeren architectuur. Toch bestaat maar 22% van de 10.0000 Nederlandse architecten uit vrouwen. En slechts 3% van de honderd meest toonaangevende architectenbureaus ter wereld wordt geleid door een vrouw. Heb jij enig idee hoe dit komt?

“De uitval van vrouwen is vooral in de doorstroom, van medior naar de top, heel groot. De branche zou zich moeten afvragen of we het wel mogelijk maken voor vrouwen om een carrière in architectuur na te jagen. Nu verliezen we ontzettend veel talent. Toen ik werkte aan het theater in de Westergasfabriek zat ik aan een tafel met middelbare witte mannen die dachten het beter te weten. Mezelf continu moeten bewijzen ten opzichte van onuitgesproken onderschatting, terwijl ik een bouwkundig ingenieur ben, is vermoeiend maar ook onderdeel van de dagelijkse praktijk. En ik kan me daarom goed voorstellen dat veel vrouwen in de architectuur besluiten iets anders te doen.”

Zie jij jezelf als rolmodel?

“Jazeker, maar niet alleen voor vrouwen. Ik heb in Nederland vaak niet de luxe om niet op te vallen, maar ik heb wel de luxe mezelf als individu uit te drukken en laat me ook niet verleiden om te spreken voor een hele gemeenschap. Ik ben onderdeel van heel veel gemeenschappen. In mijn ontwerpen probeer ik duidelijk te zijn in wat ik vind en dat doe ik op meerdere vlakken. Ik spreek uit in mijn werk en laat me daarbij niet indammen.”

Welke ambities heb jij voor jouw bureau?

“Het begint bij welke projecten ik aanneem, welke ik zelf initieer, hoe mijn team is samengesteld en hoe de dialoog met mijn opdrachtgever is. Ook ben ik kritisch als het gaat om de inhoud. Natuurlijk zijn de belangen die spelen anders nu mijn opdrachten groter worden. Ze krijgen steeds meer een politieke lading. Maar mijn intentie is om als bureau niet te groot te worden. Irma Boon adviseerde me ooit: blijf zo lang mogelijk klein. Dat begrijp ik wel. Door klein te blijven behoud je je autonomie en kun je positie innemen in het debat.”

Hoe vind je dat nu het architectuurdebat in Nederland wordt gevoerd? 

“Ik verbaas me erover dat thema’s als feminisme en de (on)machtspositie die wij als architecten in nemen in andere landen veel meer leeft, vooral bij opleidingen. Het is belangrijk dat we op een verschillende manieren naar ons vak kijken om beter aan te sluiten op de huidige samenleving. We moeten af van het universele idee van ‘de mens’ en een beter begrijpen hoe de samenleving er uitziet in al zijn complexiteit. Dit betekent onder andere dat de locatie-analyse anders moet. Een kavel is niet leeg, het is een plek die een geschiedenis en een cultuur heeft en waar relaties bestaan.”