Iedere dag Woningsdag

Wonen heeft voor iedereen een andere betekenis en de perceptie van wonen is continu aan verandering onderhevig. De Duitse filosoof Martin Heidegger stelde in 1951 in zijn rede ‘Bauen Wohnen Denken’ dat de mens het wezen van het wonen steeds opnieuw moet zoeken en het wonen steeds opnieuw moet leren. Door de coronacrisis zijn we al weken massaal aan huis gekluisterd, met alle voor- en nadelen van dien.

Velen van ons moeten momenteel improviseren en kijken inmiddels anders aan tegen de muren, vloeren en het dak die zij hun woning noemen. De stelling van Heidegger is actueler dan ooit. De vraag dringt zich op welke gevolgen de coronacrisis zal hebben voor de manier waarop we onze directe leefomgeving en eigen woning willen vormgeven. Een terugblik op de veranderende perceptie van de begrippen ‘wonen’ en ‘woning’ in de afgelopen twee eeuwen kan wellicht enige helderheid verschaffen en aanknopingspunten bieden voor de toekomst.

Form follows fear

Gezondheidscrises vormen in de loop der tijd belangrijke ijkpunten: momenten om te reflecteren, nieuwe inzichten te ontwikkelen en doorbraken te forceren. In de negentiende eeuw vormde de introductie van een modern stadsgrid een ruimtelijk vaccin tegen de vele plagen die de stad teisterden, terwijl cholera-epidemieën de katalysator waren voor de aanleg van rioleringssystemen.

Met de Woningwet (1901) in de hand maakten beleidsmakers en stadsplanners korte metten met smalle steegjes, krotwoningen en vervuilde grachten. Een zaak van de lange adem, zo blijkt. Pas in 1986 werd in Amsterdam het laatste grachtenpand op de riolering aangesloten en woonboten zijn officieel pas vanaf 2005 verplicht aangesloten.

In het begin van de twintigste eeuw leidden uitbraken van de Spaanse griep en tuberculose tot een allesomvattend streven naar functiescheiding, met het credo licht, lucht en ruimte als ideaal voor hygiëne, welzijn en gezondheid. Sanatoria, openluchtscholen en gezonde fabrieken, maar ook strak wit getegelde keukens en badkamers deden hun intrede. Als het op de vormgeving van onze steden aankomt, is form follows fear volgens architectuurcriticus Oliver Wainwright van The Guardian net zo essentieel als form follows function.

Verkrotting langs de Amsterdamse Oudezijds Achterburgwal (1899).
Bron: Stadsarchief Amsterdam

Van verblijfsplek naar doorgangsplek

Ook de woning was te midden van deze grootschalige, stedelijke ontwikkelingen aan grote veranderingen onderhevig. Bernard Leupen en Harald Mooij schetsen in hun handboek ‘Het ontwerpen van woningen’ (2008) een overzichtelijk beeld van de maatschappelijke en demografische ontwikkelingen die hieraan ten grondslag liggen. Tot het eind van de negentiende eeuw was de woning de plek waar het gehele leven zich afspeelde. Je werd er geboren, groeide er op, leerde er een vak en ging werken in een werkplaats aan huis. Ook ziekten doorstond je thuis. Als je geluk had werd je er verzorgd. Sterven gebeurde tevens vaak in huis.

Grote gezinnen leefden er vaak op een kluitje en de deur stond voor alles en iedereen open. Van privacy was nauwelijks sprake. Met de komst van de grootschalige industrie veranderde dit. Voor het eerst ontstond er onderscheid tussen woning en werkplek, tussen een privéwereld en een publieke wereld. In de negentiende eeuw was het privilege van werken in de publieke wereld nog slechts voor de man weggelegd, in de twintigste eeuw werkten ook vrouwen steeds meer buiten de eigen woning.

De afname van functies in huis heeft zich sindsdien gestaag voortgezet. Verzorging van zieken en ouderen in ziekenhuizen en verzorgingstehuizen werd steeds meer een vanzelfsprekendheid. Scholen en opleidingsinstituten raakten meer geïnstitutionaliseerd, waardoor ook kinderen en jongeren overdag vaker van huis waren.

Vanaf de Tweede Wereldoorlog zorgden kleinere gezinnen, een toename van één- en tweepersoonshuishoudens en zelfstandig wonende ouderen ervoor dat steeds minder mensen van dezelfde woning gebruikmaakten. De afname van functies en bewonersdichtheid hebben er gezamenlijk voor gezorgd dat de woning steeds minder een plek is waar je thuiskomt in een gezinssituatie, maar steeds meer een doorgangsplek is. De woning is voor de stedeling van nu nog slechts één van de vele plekken, waar het wonen zich afspeelt. Leupen en Mooij omschrijven de woning in dit verband als ‘kant-en-klaar gebruiksobject als tijdelijke verblijfplaats voor een naar buiten gericht leven’.

Wonen moet je leren

Van oudsher is de woning de scheiding tussen een controleerbare wereld binnen en een onzekerder wereld buiten. Muren en dak vormen beschutting tegen de elementen en tegen bedreigingen van buiten. Volgens Leupen en Mooij wordt een plek, een huis pas een woning als deze meer als verblijfsplek dan als schuilplaats wordt gezien. En de woning op dat verblijf wordt aangepast en ingericht. Naarmate de bewoner dit bewuster en meer uitgesproken doet, zal de woning volgens hen meer ‘bewoond’ worden. Wonen is daarmee een vaardigheid die je je eigen moet maken, die je moet leren. Iedereen maakt andere afwegingen bij de inrichting van de eigen woonomgeving.

Onder invloed van de Moderne Beweging maakte de woning als in zichzelf gekeerde verzamelplaats van persoonlijk bezit, plaats voor radicaal nieuwe woonvormen. Wonen werd een manier om te laten zien wie je bent, waar je voor staat. Er zijn mensen die het wonen tot een ware levenskunst hebben verheven. De door de filmmakers Ila Bêka en Louise Lemoine geportretteerde Mr. Moriyama is zo’n levenskunstenaar. Hij bewoont op onnavolgbare en geheel eigen wijze het door Ryue Nishizawa (SANAA) ontworpen Moriyama house in Tokio. Hij heeft een bed maar slaapt het liefst op de grond, op de plek waar het op dat moment het best voelt. Ook leest hij verschillende boeken tegelijk, die voor hem passen bij verschillende plekken in het huis.

Beelden uit de film Moriyama-San (2017), Bêka & Lemoine

Tegenstellingen

De woning als omhulling betekent zowel een begrenzing van het eigen domein als een vertrekpunt naar de leefruimte buiten. Voor sommigen zal de woning hierdoor beklemmend overkomen, voor anderen juist bevrijdend. Gevoelens en tegenstellingen die in de huidige coronacrisis wellicht nog worden uitvergroot. Uiteraard zijn deze waarden afhankelijk van de mate waarin bewoners invloed hebben (gehad) op de eigen woonomgeving en de mogelijkheden die zij hebben om ‘eropuit’ te gaan.

De verzameling witte kubussen die de woning vormt van Mr. Moriyama, biedt heel andere privileges dan een zorgflatje met een klein balkon. Een architect die zich gedurende zijn hele leven heeft beziggehouden met de wisselwerking tussen stad en gebouw en met name aandacht had voor de kwetsbaren in onze samenleving, is Aldo van Eyck. Hij bouwde voor kinderen (speelplaatsen in Amsterdam, basisscholen in Nagele), wezen (Burgerweeshuis in Amsterdam), alleenstaande ouders met kinderen (Hubertushuis in Amsterdam), psychiatrisch patiënten (Huize Padua in Boekel) en ouderen (ouderenhuisvesting in Amsterdam Slotermeer).

Van Eyck ging in al zijn ontwerpen uit van de menselijke maat en onderlinge samenhang. Op het eerste gezicht tegengestelde fenomenen als open en gesloten, privé en publiek, binnen en buiten, oud en nieuw vormen bij hem juist een functionele eenheid. De ‘tussenruimte’, waar we in deze tijd zoveel van gebruikmaken, is overal in zijn ontwerpen terug te vinden. In Van Eycks architectuur zijn erkers, balkons, openingen, drempels, opstanden en trappen ruimten die het beste van twee werelden in zich verenigen. Het zijn plekken van waaruit je je terug kunt trekken in je eigen cocon, maar ook vastberaden de wijde wereld in kunt trekken. ‘Maak van ieder huis een kleine stad en van iedere stad een klein huis’, was zijn levensmotto. Van Eyck ontwierp vanuit de gebruiker, vanuit het interieur. De buitenkant was slechts nodig om dat interieur bij elkaar te houden.

Hubertushuis aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam (1987).
Bron: Stadsarchief Amsterdam / Han van Gool

Van doorgangsplek naar verblijfsplek

Nu we met z’n allen gedwongen thuiszitten, thuiswerken en thuisonderwijzen, ontstaat de interessante paradox dat onze woning van het ene op het andere moment van een doorgangsplek weer meer een verblijfsplek is geworden. Een behoorlijke stap terug in de tijd dus. Functies waarvan we gewend waren dat ze buitenshuis plaatsvonden, spelen zich nu weer in de woning af. Vrouwen bevallen noodgedwongen thuis, zieken blijven thuis bij klachten waarmee ze normaal naar de dokter zouden gaan, de keukentafel fungeert tegelijkertijd als werkplek en klaslokaal en de garage dient als sportschool.

Onze woningen worden meer dan ooit ‘bewoond’, maar velen van ons lopen tegen de beperkingen van de eigen woning aan. De flexibiliteit om verschillende nieuwe bezigheden een plek te geven, blijkt ontoereikend. We komen erachter dat de woning als verblijfplaats heel wat meer moet zijn dan een schuilplaats, een omhulsel. De binding met de woning en de locatie ervan, is in de voorbije decennia wellicht wat te beperkt geworden, waardoor het nu zo nodige thuisgevoel vaak ontbreekt. Wonen blijkt een kunst, die we misschien wel een beetje verloren zijn.

Woningnood

Nu een gezondheidscrisis en naderende economische en sociale crisis onze aandacht opeisen, raakt het feit dat we ons ook anno 2020 midden in een woningnoodcrisis bevinden, wat naar de achtergrond. De oproep van Bas Kurvers, wethouder Bouwen van Rotterdam en diverse belangenorganisaties in het Financieel Dagblad van 15 april 2020, ‘In applaus kun je niet wonen. Laten we bouwen voor de middenklasse’, voor een noodfonds, zodat de bouw van woningen voor de middenstand door gaat, vertoont gelijkenissen met de woningwetwoningen die na de Tweede Wereldoorlog met rijkssubsidie werden gebouwd.

Het zoeken, leren en (hopelijk) vinden waar Heidegger het over had, moest tijdens de woningnoodcrisis na de Tweede Wereldoorlog voor het overgrote deel van de bevolking plaatsvinden in door de overheid geplande en gesubsidieerde kant-en-klaar pakketten. Hiervan was de uitwerking nog grotendeels gestoeld op de idealen die de Moderne Beweging in het Interbellum formuleerde. Op basis van strikte ontwerpregels ‘Voorschriften en wenken voor het ontwerpen van woningen’ (1951) werden woningen uit de grond gestampt waarbij standaardisatie en prefabricage de norm waren. Van enige inspraak van de toekomstige bewoners was nauwelijks sprake.

Ook bij het ledigen van de huidige woningnood ligt het gevaar op de loer dat de markt te gehaast te werk gaat en omhullingen bouwt die het wonen moeten faciliteren, zonder te weten hoe dat wonen er precies uitziet.

Voorbeeld van CPO: Blok Y Veemarkt Utrecht door Marc Koehler Architects.
Foto: Leon Sebregts

Het nieuwe wonen

Om van de woning weer een plek te maken die je je als bewoner kunt toe-eigenen, naar je hand kunt zetten en op je eigen manier kunt gebruiken, is een behoorlijke omslag noodzakelijk. Ook in het creëren van een onlosmakelijke verbondenheid met de plek, liggen grote uitdagingen. Bewoners zullen zelf de handen nog meer ineen moeten slaan om van huizen echte woningen te maken en architecten, ontwikkelaars en bouwers dienen dit met hun kennis en kunde te ondersteunen en te faciliteren. Niet de ontwerper of ontwikkelaar, maar de bewoner maakt een huis immers tot een woning.

Socioloog Frans Soeterbroek signaleert in een blog op Gebiedsontwikkeling.nu mogelijkheden om de huidige gemeenschapszin en solidariteit om te zetten in coöperatieve gebiedsontwikkeling: van reactieve woonconsument, naar actieve zelfontwikkelaar. Volgens Soeterbroek laat de coronacrisis zien dat onze collectieve intelligentie en gezamenlijk sociaal kapitaal groot zijn en dat we tot meer in staat zijn dan waar nu ruimte voor wordt geboden.

De trend van zelfbouw en Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO), waarmee met name de happy few zich de afgelopen jaren woningen hebben verschaft die op hun specifieke gebruik zijn afgestemd, gaat wellicht nog niet ver genoeg. Ook in de sociale en massawoningbouw dient inbreng van de uiteindelijke bewoner de standaard te worden, tevens als die bewoner bij de (ver)bouw nog niet bekend is. Door een flexibele schil aan te brengen, kan ruimte ontstaan die de uiteindelijke bewoner geheel naar eigen wijze kan inrichten en gebruiken.

De Franse architecten Anne Lacaton en Jean-Philippe Vassal tonen met hun projecten keer op keer aan dat het ook met een beperkt budget mogelijk is massawoningbouw naast een beschermende ook een identiteit verlenende functie te geven. En een woonomgeving te creëren die bewoners uitdaagt er hun eigen maatpak van te maken. In hun low-tech oplossingen vormt de tussenruimte, zoals Aldo van Eyck die al definieerde, de sleutel tot een optimale balans tussen open en gesloten, privé en publiek, binnen en buiten, flexibel en vast.

Inspirerend is hun project Grand Parc in Bordeaux, waar drie jaren zestig flats door de toevoeging van een extra laag met kasachtige binnen-/buitenruimten sensationeel aan kwaliteit hebben gewonnen. Laten we er alles aan doen om na de coronacrisis niet terug te vallen in onze normale patronen, maar te leren van Van Eyck en Lacaton & Vassal en te ontwerpen voor bewoners en niet voor anonieme gebruikers.

Grand Parc in Bordeaux door Lacaton & Vassal.
Foto: Philippe Ruault