2   +   6   =  

Ruim veertig jaar geleden studeerde ik architectuur in Delft in het bajonetvormige, betongrijze gebouw van vijftien verdiepingen naar een concept van architect Jo van den Broek uit 1956. Nu zou dat een potentieel jong monument zijn, ware het niet dat het in 2008 door kortsluiting – nota bene in de waterleiding van een koffieautomaat – als een Nederlands ‘towering inferno’ brandend aan zijn einde kwam.

De afdeling Restauratie was gehuisvest op de tweede verdieping. Ik kwam er nooit, want saai. Met de reële bouwpraktijk en de maatschappelijke urgentie van architectuur had deze stoffige ambiance weinig te maken, volgens mijn rebelse ik van toen. ‘Behoud’ prevaleerde er – overigens geheel in lijn met het Charter van Venetië uit 1963 – te allen tijde boven ‘vernieuwing’, alsof je beweerde: ‘de dood gaat voor het leven’.

Rekkelijken en preciezen

Ik verzette mij destijds tegen het aureool van deftige onaantastbaarheid waarmee monumenten waren omgeven, tegen het krampachtig bewaren, misschien wel bevriezen van het beeld van een gebouw, tegen de dominantie van de ‘preciezen’. Terwijl in de decennia na de Tweede Wereldoorlog – de wederopbouw – de architecten met de beste bedoelingen juist hun monumentale fantasie de vrije loop lieten in reconstructies van gebouwen. Nu en dan zelfs in het herscheppen van volledige straten en pleinen.

Het mooist kan die periode worden geïllustreerd door de reactie van politicus van VVD-huize Harm van Riel (met bolknak) op de restauratie van een stadhuis in een provincieplaats, die na een omstandige toelichting door de architect droog constateerde: ‘Als ik het goed begrijp, is het geworden, zoals het nooit is geweest’.

Kees Rouw was betrokken als voorzitter van de Welstands- en Monumentencommissie Leiden (WML) bij de herbestemming van de Meelfabriek. Impressie: Studio Akkerhuis.

Jonge monumenten

In het kielzog van de aanwijzing van ‘jonge monumenten’- ik schat begin jaren tachtig van de twintigste eeuw – toen niet alleen geacheveerde grachtenpanden en fotogenieke molens monument bleken te mogen zijn, maar ook talrijke utilitaire bouwwerken van mijn vroegtwintigste-eeuwse helden, maakte mijn aversie van vroeger ruimhartig plaats voor fascinatie.

Nieuwbouw en monumenten blijken het beter met elkaar te kunnen vinden dan ik vroeger vermoedde. Ze gaan gedurfde combinaties aan met andere architectonische dialecten – hoezo saai? – en monumenten komen met graagte of ‘contrecoeur’, terecht in een andere ruimtelijke dynamiek. Hebben in de eenentwintigste eeuw de rekkelijken dan toch gelijk gekregen? Of krijgt iedere tijd simpelweg het erfgoed dat het verdient?

Hoe dan ook, mijn liefde voor monumenten is daardoor groter dan ooit.