10   +   3   =  

De relatie tussen de medische wereld en architectuur valt niet te ontkennen. De (architectuur)geschiedenis getuigt van talloze casussen die deze eeuwenlange wisselwerking tonen. Ik durf zelfs te stellen dat elke epidemie een eigen architectuur voortbracht. De vormgeving van ziekenhuizen reageert op de ontwikkelingen binnen de zorg. Het is vraag en antwoord. Maar wat is goede zorgarchitectuur? Om welke architecturale oplossingen vraagt Covid-19? En wat kunnen we leren uit voorgaande epidemiearchitectuur?

De Zwarte Dood

De Moeder der Pandemieën, de pest, teisterde Europa eeuwenlang. Het pesthuis is een middeleeuws schoolvoorbeeld van quarantainearchitectuur. Vaak bevond het gebouw zich buiten de stadsmuren, om de pestlijders te isoleren. Een gelijksoortig gebouw is een lazaretto, een quarantainestation voor de haven van een stad waar mensen met de pest, lepra en overige besmettelijke ziekten werden ondergebracht.

Het pesthuis verhuisde met de stadsgrenzen mee en evolueerde naar het (buiten)gasthuis. Dit was een voorloper van het ziekenhuis waar de patiënten enige zorg kregen. Een was bijvoorbeeld vanaf 1634 gehuisvest op het huidige WG-terrein, ongeveer op de plek van het Huygenscollege, in Amsterdam. Dit toenmalig verlaten terrein lag buiten de middeleeuwse stadsmuren en was als een eilandje omgeven door water. De zieken werden per boot via de pestsloot (de huidige Bosboom Toussaintstraat) vervoerd naar dit tehuis om daar in volledige isolering te wachten op de dood.

Pest-Huys, ca. 1655, architect onbekend, Amsterdam, Nederland.
Beeld: Stadsarchief Amsterdam
Lazaretto, 1733-1743, Luigi Vanvitelli, Ancona, Italië.
Foto: Wikipedia

De architectuurhistoricus prof. dr. Cor Wagenaar stelt dat ‘ziekenhuizen’ tot en met de negentiende eeuw hoofdzakelijk dienstdeden als opvangtehuizen voor de zieke, en voornamelijk arme, bevolking. Door hiaten in de medische kennis was het toen niet haalbaar om besmette mensen daadwerkelijk te genezen. De pesthuizen, leprozerieën en (buiten)gasthuizen hielden de zieken en armen van de straat. Dit ten goede voor de rest van de samenleving. Een tafereel dat plots eigentijds aanvoelt. Onze ziekenhuizen fungeren nu als middeleeuwse burchten waar Covid-19 patiënten in afzondering verblijven, onze knusse woonhuizen voelen steeds meer als quarantaine stations en onze openbare ruimte is als een vlooienplaag die we het liefst vermijden.  

Verlichting

Vanaf de achttiende eeuw veranderde de situatie. De Verlichting en de latere Industriële Revolutie zorgden voor nieuwe wetenschappelijke inzichten. Het geloof dat de onzuivere lucht ziekteverwekkend werkte, was alom vertegenwoordigd. De dichtbevolkte industriesteden bleken een paradijs voor ziektekiemen. Dit resulteerde in de eis dat schone lucht en licht ten dienste stonden van het genezingsproces. De ziekenhuisbouw kreeg in deze periode een paviljoenmodel in een groene omgeving.

Architect François Baeckelmans ontwierp bijvoorbeeld in 1872 het Stuivenbergziekenhuis in Antwerpen. De karakteristieke architectuur met ronde ziekenhuispaviljoenen was sprekend voor die tijd. De patiënten lagen van elkaar geïsoleerd, verspreid over een omvangrijk terrein. Begin twintigste eeuw ontdekte men de werking van de bacterie en nam de medische technologie (o.a. de uitvinding van het röntgenapparaat) toe. Het paviljoentype moest wijken voor meer compactere bouwvormen.

Stuivenberggasthuis, 1872, François Baeckelmans, Antwerpen, België.
Foto: NOORDlink WordPress

Licht, Lucht en Ruimte

Ondanks al deze ontwikkelingen, waren de nadagen van de Eerste Wereldoorlog desastreus voor de menselijke gezondheid. De Spaanse Griep (de pandemie van 1918), (long)tuberculose en tyfus wisselden elkaar in recordtempo af. Paul Overy heeft het in zijn boek ‘Light, Air and Openness, Modern Architecture Between the Wars’ over hoe gezondheid en hygiëne een effect uitoefenen op de vormgeving van architectuur tijdens het interbellum. In de jaren twintig en dertig benaderde de zorg architectuur als een medicijn. TBC-patiënten liepen immers de ziekte op door in een ongunstig klimaat te verblijven, met slecht geventileerde ruimtes en een gebrek aan daglicht. Dus het modernisme schreef licht, lucht en ruimte voor. De basisprincipes van het modernisme als een medisch voorschrift tegen tuberculose.

Beatriz Colomina, de auteur van het boek ‘X-Architecture: Illness as Metaphor’”, analyseerde hoe de publiciteitscampagne van het modernistische gedachtegoed inspeelde op het toen heersende geloof rond tuberculose. De modernisten verkondigden de heilzame werking van licht, lucht en ruimte in alle lagen van de samenleving.

Het Nieuwe Bouwen werd de architectuur bij uitstek. De stroming promootte gladde en makkelijk te reinigen materialen als beton, glas en staal. Het doorgedreven minimalisme werkte letterlijk als een verademing tegenover de negentiende eeuwse bakstenen architectuur. Verscheidene ziekenhuizen en sanatoria uit de eerste helft van de twintigste eeuw belichamen de pure moderne bouwprincipes.

Het sanatorium De Mick, van de interbellum architect Eduard van Steenbergen, is het Belgische antwoord op het sanatorium Zonnestraal, van Jan Duiker, Bernard Bijvoet en Jan Gerko Wiebenga. Beide ontwerpen getuigen van een maximale openheid waar de gezondheid en het comfort van de TBC-patiënt centraal stond. De plaatsing van de ramen en de deuren, de circulatie van daglicht en buitenlucht, de groene omgeving… Dit was allemaal gericht op het produceren van gezonde lichamen. Beatriz Colomina ziet Zonnestraal ook als een belangrijk keerpunt in de democratisering van de moderne vormgeving.

Sanatorium Zonnestraal, 1924, Jan Duiker, Bernard Bijvoet, Jan Gerko Wiebenga, Hilversum.
Foto: Zonnestraal Hilversum
Sanatorium de Mick, 1927, Eduard van Steenbergen, Brasschaat.
Foto: Architectuurarchief Provincie Antwerpen

De basisregels van de modernistische zorgcentra vonden hun doorstroom in de particuliere woningbouw. De interbellum huizen werden ontworpen als mini sanatoria. Le Corbusier zou Le Corbusier niet zijn als hij niet net een stap verder ging. In zijn boek “La Ville radieuse”, 1935, introduceerde hij de moderne principes van hoogbouw op pilotis (pijlers) om los te komen van de ‘zieke’, ‘besmette’ ondergrond in steden.

Hogere horizonnen

Na de Tweede Wereldoorlog kampten veel landen met een bevolkingsexplosie. De vraag om ziekenhuizen en andere verzorgingscentra nam toe. Hoogbouw deed zijn intrede als nieuwe zorgtypologie. De nadruk lag nog steeds op een moderne vormgeving, maar de focus verschoof naar functionaliteit en technologische toepassingen.

Middelheimziekenhuis, circa 1957, Karel van Riel, Renaat Braem, Antwerpen, België.
Beeld: Collectie Vlaams Architectuurinstituut

Colette Niemeijer stelt in haar proefschrift ‘De toegevoegde waarde van architectuur voor de zorg in ziekenhuizen’ dat de ontwikkeling van het ziekenhuis vanaf de jaren zeventig, onder de noemer ‘alles-onder-een-dak’ ziekenhuis valt. Het onderscheid tussen functies verdween door het toenemende medische vernuft. De hedendaagse instellingen bieden een zo volledig mogelijk scala aan medische zorg aan in een omgeving waarin de patiëntvrijheid werd ingeperkt. Hier is geen sprake meer van de modernistische ideologie ‘licht, lucht en (groene) ruimte’.

De ziekenhuizen zijn vaak grote hypermoderne, soms wat onlogische, gebouwen in een stedelijke omgeving. Niemeijer haalt het Martini Ziekenhuis in Groningen, de Isala klinieken in Zwolle en het Jeroen Bosch Ziekenhuis in ’s-Hertogenbosch aan als voorbeelden van recente ‘alles-onder-een-dak’-ziekenhuizen. De architectuur functioneert hier niet meer als medicijn, maar voldoet aan de regelgeving en het streven naar minimale ontwikkel- en bouwkosten. De architectonische kwaliteit van de zorgarchitectuur verdween de afgelopen decennia naar de achtergrond.

Cor Wagenaar meent echter dat er een subtiele kentering plaatsvindt. De louter functionele ziekenhuizen van de jaren zeventig, tachtig en negentig krijgen geleidelijk aan een opfrisbeurt. De zorgcentra trekken hiervoor hedendaagse toparchitecten aan. Dit als de positieve impuls voor de klinische omgeving. Maar desondanks is de breuk met de genezende eigenschappen van de gebouwde omgeving is nog steeds voelbaar.

Coron(a)rchitectuur

De Covid-19 pandemie vraagt om snelle oplossingen binnen de zorgarchitectuur. De huidige ziekenhuisinfrastructuren kunnen de toenemende aantallen patiënten amper aan en beschikken niet over de gepaste medische zorg. Met als gevolg dat de middeleeuwse quarantainemaatregel wordt afgestoft. Maar past dit wel bij onze tijd? Kunnen we niet iets beters bedenken?

Dat het coronavirus de creatieve geest prikkelt is in ieder geval een feit. In een mum van tijd ontstaan er pop-up veldziekenhuizen, worden onderzoekstechnieken geïntroduceerd waarbij er geen aanraking plaats vindt en wordt het tekort aan intensieve zorgplekken opgevangen door het ombouwen van schipcontainers. Allemaal tijdelijke interventies, terwijl deze – of bij een vroegtijdige vaccinatie een volgende – pandemie ons de komende jaren in zijn greep houdt.

CURA (Connected Unites for Respiratory Ailments), 2020, Carlo Ratti Associati, Italië.
Beeld: Dezeen

Daarom vraag ik me af: kan architectuur ook in dit tijdperk functioneren als medicijn? Zo ja, hoe ziet de ziekenhuisarchitectuur van de toekomst er dan uit? Moeten we aparte infrastructuren realiseren om toekomstige pandemieën meester te maken? Of moet de bestaande zorgarchitectuur beter anticiperen op epidemieën door aanpasbare modules? En moeten we teruggrijpen naar de modernistische utopie van licht, lucht en ruimte in onze ruimtelijke ordening?

Op zoek naar antwoorden? Laat je inspireren door de voorbeelden uit het verleden. Hieronder heb ik enkele boek- en kijktips toegevoegd voor de geprikkelde geesten.

  • Beatriz Colomina, X-RAY Architecture, Lars Muller, 2019.
  • Colette Niemeijer, De toegevoegde waarde van architectuur voor de zorg in ziekenhuizen, Eburon, 2012.
  • Paul Ouver, Light, Air and Openness, Modern Architecture Between the Wars, Thames & Hudson Ltd, 2008.
  • Geoff Manaugh, Nicola Twilley. Lecture “Spatial Fictions of Quarantine”: