1   +   5   =  

De afgelopen maanden werden we overspoeld met artikelen over de impact van de coronacrisis op de stad. Geen gemakkelijke kwestie want hebben we hier te maken met een tijdelijke of blijvende pandemie? Het blijft gissen naar een toekomstbeeld, maar er zijn al wel lessen te leren. Twee van ons wonen in Amsterdam en we hebben de stad zien falen. En nu we langzaam uit de intelligente lockdown komen, zien we verschillende ontwikkelingen met lede ogen aan. Daarom pleiten wij voor een stedenbouw waarbij een inclusieve stadsbeleving het uitgangspunt is.

Het begrip ‘openbare ruimte’ is en blijft een gevoelig onderwerp. Want van wie is deze ruimte en wat is het precies? ‘Openbare ruimte ofwel publieke ruimte is de ruimte die voor iedereen toegankelijk is. Het is een fysieke plaats waar een groot deel van het publieke leven zich afspeelt.’ (Wikipedia) ‘Die voor iedereen toegankelijk is’ blijkt een heikel punt te vormen in menig steden. De openbare ruimte is nooit volledig ‘vrij’. De stadsbewoners, of de beleidsmakers maken om de zoveel tijd andere (politiekgerelateerde) keuzes over de verdeling en benutting ervan.

Uit onze persoonlijke observaties lijkt het erop dat er een herdefiniëring van openbare ruimte plaats vindt ten tijde van Covid-19. De stad als vrijplaats heeft het moeilijk. Zo worden spontane ontmoetingen en vormen van protest zeldzamer en bemoeilijkt. De stadbewoner wordt verzocht in zijn eigen sociale (zowel letterlijk als figuurlijk) cirkel te blijven.

Frisse neus

Tegelijkertijd toont deze crisis ons hoe fundamenteel openbare ruimte is voor stadsbewoners. Het is een belangrijke bouwsteen voor een mentaal weerbare en sociaal gelijke samenleving. Mensen voelen zich significant beter na het halen van een ‘frisse neus’. Buitenlucht ervaren, groen zien en bewegingsvrijheid zijn primaire levensbehoeften. De publieke ruimte is daarmee de meest begeerde ruimte in en rondom de stad.

”De stad als vrijplaats heeft het moeilijk”

Stille natuurgebieden transformeren naar bezoekersmagneten en in de steden eigenen bewoners zich zoveel mogelijk vierkante meter toe. De auto staat op stal en fietsers heroveren de autowegen. Sinds 1 juni wordt de stad weer – tot op zekere hoogte – in gebruik genomen, en merken wij, als (hoogopgeleide) inwoners van Amsterdam, dat de decennialange discussie over de publieke ruimte weer op de voorgrond komt te staan. 

Corona consumptie

Grote belangenhebbers zoals de horeca drukken hun stempel op de (tijdelijke) herinrichting van de binnenstad. Want zolang er geen vaccin is, staat deze ruimte, om een stad als Amsterdam staande te houden, ten dienste van deze economisch belangrijke sectoren. Dit ten nadele van andere, minder kapitaalkrachtige groepen.

Het beleid, dat zich voornamelijk focust op cultureel erfgoed gebaseerd toerisme, faalt en is gedateerd. De herdefiniëring van de openbare ruimte moet breder en flexibeler zijn voor een toekomstbestendige en levendige stad. De horeca kan en mag niet fungeren als volledige plaatsvervanger van het massatoerisme om de binnenstad (weer) leven in te blazen.

Toen de horeca 1 juni openging lagen letterlijk de rode lopers uit op de stoepen om de terrasjesmensen met open armen te ontvangen. In andere Europese steden als Vilnius werd het hele historische centrum omgetoverd tot terras. De inwoners teruglokken naar het centrum is hierbij het uitgangpositie. Wij zetten vraagtekens bij de strategie van de horecaondernemers om de gehele Amsterdamse binnenstad omtoveren tot één groot terras (en zijn dan ook verheugd dat deze plannen nu on hold staan). Diana van Laar (BIZ Zeedijk) stelt in Het Parool zonder blikken of blozen: “Alle pleinen kunnen functioneren als terras, zelfs de Dam.” Met als extraatje dat die terrassen ‘vrij toegankelijk’ zijn voor Amsterdammers. Een opmerkelijk plan aangezien de horeca onze harten opnieuw wil veroveren door nog meer in te pikken van datgene wat de coronacrisis al heeft afgepakt: namelijk de openbare ruimte. Het laat op een nogal pijnlijke manier zien hoezeer de publieke ruimte onder de plak zit van de massaconsumptie.

”De stad is meer dan een plek om te consumeren”

Deze tijdelijk aanpak ontneemt de vrije beweging van de Amsterdammers. De stad is meer dan een plek om te consumeren. Het is een dynamisch geheel waar een symbiose plaatsvindt tussen cultuur, economie en (stedelijk) leven. Ja, we beseffen dat de dichtbevolkte urbane steden van groot belang zijn voor een florerende nationale economie, maar bestaan er geen andere alternatieven om enigszins goed uit deze crisis te komen dan het omtoveren van de openbare ruimte naar festivalterrein?

Vakantiestraat

Het antistedelijke virus wijst ons op het belang van een optimaal stedelijk weefsel. Woonbuurten, zoals we ze tot enkele maanden geleden kenden, vervullen hierin een essentiële rol en zijn het onderzoeken waard. Ze zijn de afgelopen maanden losgekomen van de binnenstad en fungeren steeds autonomer. Ze zijn in korte tijd getransformeerd naar werk-, vrijetijds-, zorg- en zelfs vakantieplekken. Aangezien verplaatsingen tot het noodzakelijke minimum zijn beperkt, en reizen naar warmere oorden er de komende tijd waarschijnlijk niet in zit, zijn we genoodzaakt om in eigen land, stad en buurt te vertoeven. Hoe het gebruik van de openbare ruimte een plek krijgt is de sleutel tot succes.

Dit hebben meerdere steden ook ingezien. Zo experimenteert de Gemeente Rotterdam momenteel met vakantiestraten. Enkele wegen en fietsstraten worden (deels) ingericht met kunstgras, een badmintonnet en zwembadjes. Een ander voorbeeld van ‘optimale’ inplanting volgens de anderhalve meter eis is overgewaaid vanuit het Domino park, New York. Onze grootstedelijke parken zijn herverdeeld met voor iedereen een eigen plek, oftewel ‘veilige bubbel’. De coronacrisis laat zien hoe belangrijk deze kwaliteitsvolle publieke ruimte in de nabije woonomgeving is, zelfs binnen strikte regelgeving. Ook in de dichtbevolkte stad zou er genoeg groene en publieke ruimte aanwezig moeten zijn, zodat het gebruik ervan niet constant in strijd is met de beperkingen vanwege het virus.

Vergrootglas

Het coronavirus plaatst onze steden onder een vergrootglas. Wat zou een stad eigenlijk moeten zijn? Nu het grootstedelijke leven op pauze gezet is, komt aan het licht waar onze behoeften als stadsbewoners liggen en wat we missen, zoals genoeg publieke ruimte en voorzieningen die bijdragen aan onze (fysieke en mentale) gezondheid. De publieke ruimte is belangrijk voor meer dan alleen consumeren en verplaatsen. De publieke ruimte is een plek voor uitwisseling, cultuur, vrijetijdsbesteding maar ook werkgelegenheid.

”De publieke ruimte is zo beschouwd een levend laboratorium”

Wij pleiten er dan ook voor dat bij de vormgeving van steden de stadsbeleving van een zo breed mogelijke groep het uitgangspunt is. Deze crisis is een generale repetitie voor toekomstige pandemieën. De publieke ruimte is zo beschouwd een levend laboratorium. Wij roepen daarom beleidsmakers, ontwikkelaars, architecten, stedenbouwers en andere vormgevers van onze steden: experimenteer en speel er mee, geef mensen de vrijheid om te ontdekken wat mist, luister naar buurtinitiatieven en denk verder dan het verbreden van stoepen.

Wij scharen ons achter Milena Ivkovic, Blok74, die oproept om de toekomst van de stad niet te vormen op basis van korte termijn “hit and run” oplossingen, maar de publieke ruimte in te richten voor de tijden vooruit. Het begrip anderhalvemetersamenleving is geen blauwdruk voor de stad van de toekomst. Het is een tijdelijke maatregel die op medische gronden noodzakelijk is om de pandemie in te dammen. De inclusieve stadsbeleving zou de blauwdruk moeten zijn voor de stad van de toekomst.